ECLI:NL:HR:2006:AV0835
Hoge Raad
- Herziening
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken bewijsmiddelen
De zaak betreft een aanvrage tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te Leeuwarden uit 2004, waarin de aanvrager was veroordeeld voor medeplegen van een overtreding van de Opiumwet. De Hoge Raad beoordeelde of het verzoek tot herziening ontvankelijk was, waarbij werd gekeken naar de vereisten van artikel 457 en Pro 459 van het Wetboek van Strafvordering.
De Hoge Raad stelde vast dat een herzieningsverzoek alleen kan worden ontvangen als het steunt op nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het vermoeden wekken dat het onderzoek tot een vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid.
In deze zaak ontbraken echter de noodzakelijke bewijsmiddelen in de aanvrage, waardoor het verzoek niet voldeed aan de wettelijke eisen. Daarom werd het verzoek niet-ontvankelijk verklaard. Het arrest werd uitgesproken door de vice-president en twee raadsheren van de Hoge Raad op 24 januari 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van bewijsmiddelen.