ECLI:NL:HR:2006:AV2634

Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
C05/001HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • H.A.M. Aaftink
  • O. de Savornin Lohman
  • J.C. van Oven
  • E.J. Numann
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid reclassering voor onzorgvuldig handelen hulpverlener jegens ex-gedetineerde

Eiser vorderde bij de rechtbank Utrecht dat de Stichting Reclassering Nederland (SRN) aansprakelijk werd gesteld voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van onzorgvuldig handelen van een hulpverlener. De rechtbank wees deze vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten. Het gerechtshof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis in hoger beroep en veroordeelde eiser eveneens in de proceskosten.

Eiser stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het hof, terwijl SRN voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep instelde. Beide partijen concludeerden tot verwerping van elkaars beroep. De Advocaat-Generaal adviseerde eveneens tot verwerping van het principale beroep.

De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en dat nadere motivering niet nodig was omdat geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling aan de orde waren. Het cassatieberoep werd verworpen en eiser werd veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitkomst: Het cassatieberoep van eiser wordt verworpen en hij wordt veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.

Uitspraak

24 maart 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/001HR
JMH
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
[Eiser],
wonende te [woonplaats],
EISER tot cassatie, (voorwaardelijk)
incidenteel verweerder,
advocaat: mr. J. Groen,
t e g e n
de stichting STICHTING RECLASSERING NEDERLAND,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER in cassatie, (voorwaardelijk)
incidenteel eiseres,
advocaat: mr. J. van Duijvendijk-Brand.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eiser tot cassatie - verder te noemen: [eiser] - heeft bij exploot van 11 juni 2001 verweerster in cassatie - verder te noemen: SRN - gedagvaard voor de rechtbank te Utrecht en gevorderd bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor zover rechtens mogelijk, te verklaren voor recht dat SRN aansprakelijk is voor de door [eiser] geleden en nog te lijden schade nader op te maken bij staat met veroordeling van SRN in de kosten van deze procedure.
SRN heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij vonnis van 6 november 2002 het gevorderde afgewezen en [eiser] in de proceskosten aan de zijde van SRN veroordeeld.
Tegen het vonnis heeft [eiser] hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam.
Bij arrest van 9 september 2004 heeft het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigd en [eiser] in de proceskosten van het hoger beroep veroordeeld.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof heeft [eiser] beroep in cassatie ingesteld. SRN heeft (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld. De cassatiedagvaarding en de conclusie van antwoord tevens houdende het (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit.
Partijen hebben over en weer geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het (principale) beroep.
De advocaat van [eiser] heeft bij brief van 12 januari 2006 op die conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel in het principale beroep
De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het principale beroep;
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van SRN begroot op € 359,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de raadsheren H.A.M. Aaftink, als voorzitter, O. de Savornin Lohman en J.C. van Oven, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 24 maart 2006.