ECLI:NL:HR:2006:AV2654
Hoge Raad
- Cassatie
- J.B. Fleers
- O. de Savornin Lohman
- J.C. van Oven
- W.A.M. van Schendel
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Gezag van gewijsde van strafrechterlijke schadevorderingen en ontvankelijkheid benadeelde partij
In deze zaak stond centraal de vraag of aan een beslissing van de strafrechter over een schadevordering van een benadeelde partij gezag van gewijsde toekomt en hoe art. 361 lid 3 Sv Pro. moet worden uitgelegd in het licht van art. 6 EVRM Pro.
De zoon van het slachtoffer, in zijn hoedanigheid van executeur-testamentair en benadeelde partij, had in de strafprocedure een schadevordering ingediend die deels was toegewezen en deels was afgewezen. De rechtbank wees de vordering voor de kosten van lijkbezorging toe, maar wees de overige schadevordering af omdat de wetgever geen civiel vorderingsrecht aan de benadeelde partij had toegekend. In een civiele procedure vorderde de eiser vervolgens de afgewezen schade, maar werd hij niet-ontvankelijk verklaard door het hof vanwege het gezag van gewijsde van de strafrechterlijke beslissing.
De Hoge Raad oordeelde dat aan de strafrechterlijke beslissing over de schadevordering gezag van gewijsde toekomt op grond van art. 236 lid 1 Rv Pro. en dat art. 361 lid 3 Sv Pro. zo moet worden uitgelegd dat de strafrechter verplicht is tot niet-ontvankelijkverklaring indien de vordering niet geschikt is voor behandeling in het strafproces, waarmee de regeling niet in strijd is met art. 6 EVRM Pro. De benadeelde partij heeft geen zelfstandig recht op cassatie, behalve in beperkte omstandigheden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en veroordeelde de eiser in de kosten van het geding.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de eiser wordt veroordeeld in de kosten van het geding.