ECLI:NL:HR:2006:AV4091

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 mei 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01101/05
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • G.J.M. Corstens
  • W.M.E. Thomassen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 321 SrArt. 2, eerste lid, onder C, Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor verduistering en opzettelijke wederrechtelijke toe-eigening rijbewijs

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder verduistering en het wederrechtelijk toe-eigenen van een rijbewijs dat op naam stond van een ander.

Het bewijs bestond uit een politieproces-verbaal waarin werd vastgesteld dat het rijbewijs samen met valse paspoorten werd aangetroffen in een koffer in een zijkamer van de woning waar verdachte verbleef. Verdachte was op de hoogte van de aanwezigheid van het rijbewijs. Het hof concludeerde hieruit dat verdachte zich het rijbewijs opzettelijk wederrechtelijk had toegeëigend in de zin van artikel 321 Sr Pro.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht het opzet op wederrechtelijke toe-eigening had bewezen verklaard. Het cassatiemiddel dat dit bewijs onvoldoende zou zijn, werd verworpen. De Hoge Raad bevestigde daarmee het arrest van het hof en verwierp het cassatieberoep.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot vier maanden gevangenisstraf voor verduistering en wederrechtelijke toe-eigening.

Uitspraak

9 mei 2006
Strafkamer
nr. 01101/05
KD/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een bij verstek gewezen arrest van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 april 2003, nummer 23/001967-02, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1944, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te Amsterdam van 28 januari 2002 - de verdachte ter zake van 1. "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C, van de Opiumwet gegeven verbod", 2. "verduistering", 3. "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vervalst is" en "in het bezit zijn van een reisdocument waarvan hij weet dat het vals is" en 4. "opzetheling" veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het bewezenverklaarde opzet op de wederrechtelijke toe-eigening ten aanzien van feit 2 niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid.
3.2. Het Hof heeft onder 2 ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
"hij in de periode van 13 juli 2001 tot en met 15 augustus 2001 te Amsterdam, opzettelijk een rijbewijs, registratienummer [0001], ten name van [betrokkene 1], toebehorende aan [betrokkene 1], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als gevonden voorwerp, onder zich had, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend."
3.3. De bewezenverklaring steunt onder meer op de volgende bewijsmiddelen:
(i) een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als relaas van de verbalisanten (bewijsmiddel 1):
"Tijdens de zoeking trof ik, eerste verbalisant, in een openstaande koffer, die lag in een zijkamer naast de woonkamer twee paspoorten aan. Het betrof een Engels paspoort en een Spaans paspoort. Beide paspoorten waren voorzien van een andere naam en van de pasfoto van de negroïde man die ons buiten had aangesproken.
Tijdens de doorzoeking trof ik, eerste verbalisant, in de eerder genoemde koffer in de zijkamer naast de reeds genoemde goederen, tevens de navolgende goederen:
1 Nederlands rijbewijs voorzien van het nummer [0001];
1 plastic zakje inhoudende wit op cocaïne gelijkend poeder.
Ik, eerste verbalisant, trof tevens in de zijkamer in een binnenzak van een colbert aan 5 traveller cheques van Thomas Cook en 1 traveller cheque van American Express.
Vervolgens heb ik, eerste verbalisant, een onderzoek laten instellen met betrekking tot genoemd rijbewijs en alle genoemde travellercheques. Mij, eerste verbalisant, werd medegedeeld dat het betreffende rijbewijs als vermist staat gesignaleerd en dat de travellercheques als gestolen zijn opgegeven bij respectievelijk Thomas Cook en American Express. Het rijbewijs staat als vermist opgegeven sedert op 13 juli 2001. Uit onderzoek bij Thomas Cook bleek dat de 5 traveller cheques op 31 december 1999 als gestolen zijn opgegeven bij de politie te Frankrijk. Uit onderzoek bij American Express bleek dat de traveller cheque als gestolen is opgegeven op 12 februari 2001 bij de politie te Duitsland."
(ii) een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 2):
"Het klopt dat er op 15 augustus 2001 te Amsterdam een Nederlands rijbewijs in mijn kamer lag."
(iii) een proces-verbaal van politie, voorzover inhoudende als verklaring van de verdachte (bewijsmiddel 3):
"Ik, verbalisant, toon de verdachte het in beslaggenomen rijbewijs ten name gesteld van een persoon genaamd [betrokkene 1].
De verdachte verklaart over het rijbewijs. Ik ken dit rijbewijs. Het lag in mijn kamer. Ik heb het rijbewijs gezien. Ik zag dat het rijbewijs echt was."
3.4. In de tenlastelegging is het begrip "zich wederrechtelijk toe-eigenen" gebezigd in de betekenis die aan dit begrip in art. 321 Sr Pro toekomt. Van zodanig toe-eigenen is sprake indien een persoon zonder daartoe gerechtigd te zijn als heer en meester beschikt over een goed dat aan een ander toebehoort (vgl. HR 24 oktober 1989, NJ 1990, 256).
3.5. De gebezigde bewijsmiddelen zoals hiervoor weergegeven onder 3.3 houden in dat het op naam van een ander dan de verdachte gesteld rijbewijs is aangetroffen in een koffer tezamen met een aantal valse dan wel vervalste paspoorten in de kamer van de verdachte en dat hij ervan op de hoogte was dat het rijbewijs zich daar bevond. Het Hof heeft daaruit kunnen afleiden dat de verdachte zich het rijbewijs opzettelijk wederrechtelijk heeft toegeëigend in de zin van art. 321 Sr Pro.
3.6. Het middel faalt.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren G.J.M. Corstens en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de waarnemend griffier M.T.E. van Huut, en uitgesproken op 9 mei 2006.