ECLI:NL:HR:2006:AV4112

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01322/05 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 262 SvArt. 250 SvArt. 69 lid 3 AWRArt. 80 lid 1 AWR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt voorlopig oordeel over niet-ontvankelijkheid beroep op inkeerbepaling in bezwaarschriftprocedure

In deze zaak stond het beroep van verdachte centraal tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem, waarin het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond werd verklaard. Verdachte werd verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangiften loon- en omzetbelasting namens Stichting [A] in de periode juni tot december 2002.

Verdachte voerde een beroep op de inkeerbepaling van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), stellende dat tijdig aanvullende informatie was verstrekt die de eerdere onjuiste aangiften zou rectificeren. Het hof oordeelde echter dat op grond van de in deze fase bekende feiten en omstandigheden voorshands niet aannemelijk was dat aan deze inkeerbepaling kon worden toegekomen, mede gelet op het tijdstip waarop de informatie was verstrekt.

De Hoge Raad benadrukte het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift ex artikel 262 Sv Pro en stelde dat het hof verplicht is zich uit te laten over de doeltreffendheid van het verweer, maar dat het oordeel dat het verweer wordt verworpen een voorlopig karakter heeft. Het hof heeft het verweer op begrijpelijke gronden verworpen, zonder de mogelijkheid van een later oordeel door de strafrechter te belemmeren.

Het cassatieberoep faalt omdat het hof het juiste toetsingskader heeft toegepast en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de bestreden beschikking.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het voorlopige oordeel dat het beroep op de inkeerbepaling niet aannemelijk is in de bezwaarschriftprocedure.

Uitspraak

11 april 2006
Strafkamer
nr. 01322/05 B
SG/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van het Gerechtshof te Arnhem van 4 mei 2005, nummer 05/002048-04, in de strafzaak tegen:
[verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947, zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.
1. De bestreden beschikking
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een beschikking van de Rechtbank te Arnhem van 15 november 2004 - het bezwaarschrift van de verdachte alsnog ongegrond verklaard.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.B.H. Beune, advocaat te Nijmegen, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de omstandigheden van het geval voorshands niet zonder meer de gevolgtrekking rechtvaardigen dat er sprake is van inkeer zoals bedoeld in art. 69, derde lid, AWR, althans dat dit oordeel onbegrijpelijk is.
3.2. Aan de verdachte is tenlastegelegd:
onder 1:
Stichting [A] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2002 tot 1 december 2002 in de gemeente Nijmegen, althans in het arrondissement Arnhem en/of elders in Nederland, (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n) als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de loonbelasting en premie volksverzekeringen over de maand(en) juni 2002 en/of juli 2002 en/of augustus 2002 en/of september 2002 en/of oktober 2002, althans over een of meer maand(en) in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2002 tot 1 december 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die Stichting [A] (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de belastingdienst te Nijmegen, althans bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet(ten) loonbelasting en premie volksverzekeringen over genoemde maand(en) (telkens) een te laag, althans onjuist belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag, althans onjuist, bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke verboden gedraging(en) verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven.
onder 2:
Stichting [A] op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2002 tot 1 december 2002 in de gemeente Nijmegen, althans in het arrondissement Arnhem en/of elders in Nederland (telkens) opzettelijk (een) bij de Belastingwet voorziene aangifte(n), als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (een) aangifte(n) voor de omzetbelasting over de maand(en) juli 2002 en/of augustus 2002 en/of september 2002 en/of oktober 2002, althans over een of meer maand(en) in of omstreeks de periode vanaf 1 juni 2002 tot 1 december 2002, onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers heeft die Stichting [A] (telkens) opzettelijk op het bij de Inspecteur der belastingen of de Belastingdienst te Nijmegen, althans bij de Belastingdienst ingeleverde aangiftebiljet(ten) omzetbelasting over genoemd(e) maand(en) (telkens) een te laag belastbaar bedrag, althans (telkens) een te laag, althans onjuist, bedrag aan belasting opgegeven, terwijl dat feit (telkens) ertoe sterkte dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen welk(e) bovenomschreven strafbare feit(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opdracht heeft gegeven, dan wel welke verboden gedraging(en) verdachte, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) feitelijk leiding heeft gegeven."
3.3. Het Hof heeft, voorzover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende overwogen:
"7. Vooropgesteld dient te worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift tegen de dagvaarding een summier karakter draagt. De aangevoerde juridische en feitelijke standpunten kunnen dan ook slechts met in achtneming van dit summiere karakter van het onderzoek door de raadkamer worden beoordeeld.
8. Verdachte heeft zich beroepen op de zogenaamde - in artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen vervatte - inkeerbepaling. Deze inkeerbepaling komt erop neer dat een betrokkene zich slechts dan op deze bepaling kan beroepen als hij tijdig is overgegaan tot het alsnog indienen van een aanvullende aangifte of tot het verstrekken van aanvullende informatie, op een zodanige wijze dat het voor de belastingdienst redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat de betrokkene daarmee zijn eerdere onjuiste aangifte of verstrekte informatie rectificeert (HR 22 mei 2001, NJ 2001, 699). De door verdachte genoemde - aan het beroep op de inkeerbepaling ten grondslag liggende - omstandigheden, te weten - kort gezegd - (1) de mededeling aan de Ontvanger dat ten onrechte nihil-aangiften waren gedaan en (2) het overhandigen van de administratie van de ijshockeyclub aan de Ontvanger, rechtvaardigen naar het oordeel van het hof voorshands niet zonder meer de gevolgtrekking dat hier sprake is van inkeer in de zin van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Ook het tijdstip waarop de aanvullende informatie is verstrekt - het invorderingsonderzoek was immers reeds in gang gezet -, rechtvaardigt naar het oordeel van het hof voorshands niet zonder meer de gevolgtrekking dat er sprake is geweest van inkeer in de zin van voormeld artikel. Daarom is het naar het oordeel van het hof niet hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter, later oordelend, een beroep op de inkeerbepaling en in verband daarmee een beroep op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zal afwijzen. Gelet op het vorenstaande ziet het hof, anders dan de rechtbank, geen grond het beroep van verdachte op de inkeerbepaling reeds in het kader van deze bezwaarschriftprocedure te honoreren."
3.4. Art. 69, derde lid, AWR luidt:
"Het recht tot strafvervolging op de voet van dit artikel vervalt, indien de schuldige alsnog een juiste en volledige aangifte doet, dan wel juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen verstrekt vóórdat hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat een of meer van de in artikel 80, eerste lid, bedoelde ambtenaren de onjuistheid of onvolledigheid bekend is of bekend zal worden."
3.5. Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift als bedoeld in art. 262 Sv Pro een summier karakter draagt. Wanneer in zaken als deze een op art. 262 in Pro verbinding met art. 250 Sv Pro gegrond juridisch verweer wordt gevoerd, is de rechter verplicht zich over de al dan niet doeltreffendheid van het verweer uit te laten, zulks evenwel met inachtneming van evenbedoeld summier karakter van het onderzoek. Dit brengt mee dat een rechtsoordeel, gegeven naar aanleiding van de verwerping van een dergelijk verweer, een voorlopig karakter niet kan worden ontzegd. Een en ander klemt temeer wanneer een zodanig oordeel - dus een oordeel in deze stand van het geding - verweven is met een waardering van feitelijke aard.
3.6. Het Hof is kennelijk ervan uitgegaan, dat op grond van de in deze stand van het geding bekende feiten en omstandigheden voorshands niet aannemelijk is geworden dat aan de verdachte een beroep op de in art. 69, derde lid, AWR bedoelde inkeerbepaling toekomt. Aldus heeft het Hof zonder de hiervoor onder 3.4 weergegeven maatstaf uit het oog te verliezen het namens de verdachte gevoerde verweer verworpen op gronden die - mede gelet op het tijdstip waarop door de verdachte en zijn medeverdachte de informatie is verstrekt - niet onbegrijpelijk zijn. In het woord "voorshands" ligt immers besloten dat het Hof, als rechter in raadkamer in deze stand van het geding het verweer verwerpend, onverlet laat het oordeel van de rechter die te zijner tijd heeft te oordelen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.
3.7. Het middel kan derhalve niet tot cassatie leiden.
4. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 april 2006.