ECLI:NL:HR:2006:AV4112
Hoge Raad
- Cassatie
- C.J.G. Bleichrodt
- J.P. Balkema
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt voorlopig oordeel over niet-ontvankelijkheid beroep op inkeerbepaling in bezwaarschriftprocedure
In deze zaak stond het beroep van verdachte centraal tegen een beschikking van het Gerechtshof Arnhem, waarin het bezwaarschrift tegen de dagvaarding ongegrond werd verklaard. Verdachte werd verdacht van het opzettelijk doen van onjuiste en onvolledige aangiften loon- en omzetbelasting namens Stichting [A] in de periode juni tot december 2002.
Verdachte voerde een beroep op de inkeerbepaling van artikel 69, derde lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR), stellende dat tijdig aanvullende informatie was verstrekt die de eerdere onjuiste aangiften zou rectificeren. Het hof oordeelde echter dat op grond van de in deze fase bekende feiten en omstandigheden voorshands niet aannemelijk was dat aan deze inkeerbepaling kon worden toegekomen, mede gelet op het tijdstip waarop de informatie was verstrekt.
De Hoge Raad benadrukte het summiere karakter van het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een bezwaarschrift ex artikel 262 Sv Pro en stelde dat het hof verplicht is zich uit te laten over de doeltreffendheid van het verweer, maar dat het oordeel dat het verweer wordt verworpen een voorlopig karakter heeft. Het hof heeft het verweer op begrijpelijke gronden verworpen, zonder de mogelijkheid van een later oordeel door de strafrechter te belemmeren.
Het cassatieberoep faalt omdat het hof het juiste toetsingskader heeft toegepast en het oordeel niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad verwerpt het beroep en bevestigt daarmee de bestreden beschikking.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het voorlopige oordeel dat het beroep op de inkeerbepaling niet aannemelijk is in de bezwaarschriftprocedure.