ECLI:NL:HR:2006:AW0894

Hoge Raad

Datum uitspraak
4 april 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00334/05 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Herziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijsmiddelen in Opiumwetzaak

De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod uit artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet, met een geldboete van €384,- of subsidiair zeven dagen hechtenis. Vervolgens werd een verzoek tot herziening ingediend op grond van artikel 457 Sv Pro, waarin werd gesteld dat de aanvrager het feit niet had begaan en dat een ander zich van op zijn personalia gelijkende gegevens had bediend.

De Hoge Raad beoordeelde het verzoek en stelde vast dat herziening alleen mogelijk is bij nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid. De aanvrager voerde aan dat de verbalisant hem niet had herkend, dat de persoonsgegevens van de aangehouden persoon niet overeenstemden met die van hem, en dat de handtekening niet overeenkwam.

Echter bleek uit het dossier dat de aanvrager niet had gereageerd op meerdere uitnodigingen voor aanvullend onderzoek, en de aanvrage bevatte onvoldoende bewijsmiddelen om de juistheid van de aangevoerde omstandigheden te onderbouwen. Daarom kon het verzoek niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bewijsmiddelen.

Uitspraak

4 april 2006
Strafkamer
nr. 00334/05 H
SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van de Politierechter in de Rechtbank te 's-Gravenhage van 30 januari 2003, nummer 09/053214-02, ingediend door mr. H. Oldenhof advocaat te 's-Gravenhage namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, domicilie kiezende te 's-Gravenhage.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
De Politierechter heeft de aanvrager ter zake van "opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet gegeven verbod" veroordeeld tot een geldboete van € 384,-, subsidiair zeven dagen hechtenis.
2. De aanvrage tot herziening
2.1. De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
2.2. De aanvrage berust op de stelling dat sprake is van een omstandigheid als bedoeld in art. 457, eerste lid aanhef en onder 2°, Sv. De aanvrager voert daartoe aan dat hij het feit niet heeft begaan en dat een ander zich van op zijn personalia gelijkende personalia heeft bediend.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voorzover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. In de aanvrage wordt aangevoerd dat de zaak niet zou hebben geleid tot een veroordeling, indien bekend was geweest dat (i) de verbalisant die de aanhouding van de verdachte heeft verricht, de aanvrager niet heeft herkend als de persoon die hij in verband met het onderhavige misdrijf heeft aangehouden en verhoord, (ii) de door de aangehouden persoon verstrekte persoonsgegevens niet overeenstemmen met de persoonsgegevens van de aanvrager, en (iii) de handtekening van de aangehouden persoon niet overeenstemt met de handtekening van de aanvrager.
3.4. De aanvrage bevat onvoldoende opgave van bewijsmiddelen waaruit de juistheid van het aangevoerde kan blijken. Daarbij verdient opmerking dat blijkens een proces-verbaal van 12 juli 2005 van [verbalisant 1], brigadier van politie Haaglanden, de aanvrager op meerdere uitnodigingen gedaan ten behoeve van een aanvullend onderzoek niet heeft gereageerd. De aanvrage kan daarom, gelet op het bepaalde in de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en J. de Hullu, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 4 april 2006.