ECLI:NL:HR:2006:AW0894
Hoge Raad
- Herziening
- C.J.G. Bleichrodt
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens onvoldoende bewijsmiddelen in Opiumwetzaak
De aanvrager werd door de Politierechter veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met het verbod uit artikel 2, eerste lid, onder C van de Opiumwet, met een geldboete van €384,- of subsidiair zeven dagen hechtenis. Vervolgens werd een verzoek tot herziening ingediend op grond van artikel 457 Sv Pro, waarin werd gesteld dat de aanvrager het feit niet had begaan en dat een ander zich van op zijn personalia gelijkende gegevens had bediend.
De Hoge Raad beoordeelde het verzoek en stelde vast dat herziening alleen mogelijk is bij nieuwe, met bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid. De aanvrager voerde aan dat de verbalisant hem niet had herkend, dat de persoonsgegevens van de aangehouden persoon niet overeenstemden met die van hem, en dat de handtekening niet overeenkwam.
Echter bleek uit het dossier dat de aanvrager niet had gereageerd op meerdere uitnodigingen voor aanvullend onderzoek, en de aanvrage bevatte onvoldoende bewijsmiddelen om de juistheid van de aangevoerde omstandigheden te onderbouwen. Daarom kon het verzoek niet worden ontvangen en verklaarde de Hoge Raad het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens onvoldoende bewijsmiddelen.