ECLI:NL:HR:2006:AW2200
Hoge Raad
- Cassatie
- H.A.M. Aaftink
- P.C. Kop
- W.A.M. van Schendel
- Rechtspraak.nl
Vaststelling omgangsregeling tussen vader en minderjarig kind en proceskostenveroordeling moeder
De zaak betreft een geschil tussen de vader en moeder van een minderjarig kind over de vaststelling van een omgangsregeling. De vader verzocht bij de rechtbank Utrecht om een omgangsregeling met het kind, welke door de rechtbank werd vastgesteld met specifieke tijdstippen en voorwaarden, waaronder ingijzeling bij niet-naleving.
De moeder stelde hoger beroep in tegen de beschikking van de rechtbank, met het verzoek de omgangsregeling te vernietigen of te beperken. Het gerechtshof Amsterdam verklaarde de moeder niet-ontvankelijk in haar hoger beroep tegen een eerdere beschikking en bekrachtigde de omgangsregeling met aanpassingen in de tijdstippen. Tevens werd de moeder veroordeeld in de proceskosten wegens onzorgvuldig procederen.
De moeder stelde vervolgens cassatieberoep in tegen de beschikking van het hof. De Hoge Raad oordeelde dat de aangevoerde klachten niet tot cassatie konden leiden en verwierp het beroep zonder nadere motivering, waarmee de omgangsregeling en de proceskostenveroordeling definitief werden bevestigd.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de moeder en bevestigde de omgangsregeling en proceskostenveroordeling.