ECLI:NL:HR:2006:AW2207
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over ondernemingsbegrip bij verliesverrekening vennootschapsbelasting
Belanghebbende kreeg voor het boekjaar 1997/1998 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar en beroep bij het hof werd het beroep ongegrond verklaard. De kern van het geschil betrof de vraag of de activiteiten van A B.V. kwalificeren als het drijven van een onderneming in de zin van artikel 20, lid 5, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
A had een obligatielening uitgegeven in Peruaanse Inti's met hoge rente, verwachtte winst ondanks inflatie, maar leed uiteindelijk een groot verlies. De activiteiten werden door het hof als onderneming aangemerkt omdat ze verder gingen dan normaal vermogensbeheer en aanzienlijke risico's werden genomen.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onjuist was uitgegaan van het criterium dat activiteiten die normaal vermogensbeheer te boven gaan automatisch ondernemingsactiviteiten zijn. De juiste maatstaf is het ondernemingsbegrip uit artikel 6, lid 1, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964. Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch voor verdere behandeling met inachtneming van deze maatstaf.
De Hoge Raad veroordeelde tevens de Staat tot vergoeding van het griffierecht en de proceskosten van belanghebbende. De kosten voor het geding bij het hof worden door het verwijzingshof beoordeeld.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt verwezen voor herbeoordeling met het juiste ondernemingsbegrip.