ECLI:NL:HR:2006:AW3581

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
01793/05 E
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.g Wet goederenvervoer over de wegArt. 5 Wet goederenvervoer over de wegArt. 39 Besluit goederenvervoer over de wegArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen eigen vervoer bij uitlening vrachtauto aan derde

In deze zaak stond centraal of het vervoer met een vrachtauto, die door verdachte met chauffeur was uitgeleend aan een transporteur, kwalificeert als eigen vervoer ex artikel 1.1.g van de Wet goederenvervoer over de weg. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het hof dat geen sprake was van eigen vervoer, omdat het vervoer werd verricht voor derden en niet voor de onderneming van verdachte zelf.

Het hof had geoordeeld dat het vervoer niet behoefde te worden verricht voor de onderneming van verdachte en dat de vrachtauto met chauffeur was uitgeleend aan een andere transporteur. Ook het feit dat betaling vaak met gesloten beurzen plaatsvond, waarbij diensten werden uitgewisseld, deed hieraan niet af. Het hof vond dat dit vervoer voor derden tegen betaling plaatsvond en dat incidenteel beroepsvervoer in het kader van collegiale inleen of vriendendienst niet als eigen vervoer kan worden aangemerkt.

Verder oordeelde het hof dat niet was voldaan aan de criteria van artikel 39 van Pro het Besluit goederenvervoer over de weg, omdat het vervoer niet voor rekening van de onderneming van verdachte werd verricht. De Hoge Raad vond deze overwegingen niet onjuist of onbegrijpelijk en verwierp het cassatieberoep. Daarmee bleef de veroordeling van verdachte wegens overtreding van een voorschrift van de Wet goederenvervoer over de weg in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de veroordeling tot een geldboete wegens overtreding van de Wet goederenvervoer over de weg.

Uitspraak

13 juni 2006
Strafkamer
nr. 01793/05 E
LR/AM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Arnhem, Economische Kamer, van 21 februari 2005, nummer 21/004401-03, in de strafzaak tegen:
[verdachte] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Economische Politierechter in de Rechtbank te Arnhem van 11 september 2003 - de verdachte ter zake van "overtreding van een voorschrift gesteld bij artikel 5, eerste lid, Wet goederenvervoer over de weg, begaan door een rechtspersoon" veroordeeld tot een geldboete van € 1.500,- euro.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. E.P. Vroegh, advocaat te Hoofddorp, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen. De conclusie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het eerste middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beoordeling van het tweede en het derde middel
4.1. De middelen keren zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de verwerping door het Hof van het verweer dat sprake was van 'eigen vervoer' als bedoeld in art. 1, eerste lid onder g, van de Wet goederenvervoer over de weg.
4.2. De middelen falen op de gronden vermeld in de conclusie van de Advocaten-Generaal onder 14 tot en met 20.
5. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J. de Hullu en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 13 juni 2006.