ECLI:NL:HR:2006:AW6731

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 juni 2006
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
00427/06 W
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • C.J.G. Bleichrodt
  • J.P. Balkema
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 lid 3 WOTSArt. 31 WOTSArt. 2 onder A OpiumwetArt. 10 OpiumwetArt. 10a Opiumwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Omzetting Engelse conspiracy-veroordeling naar Nederlandse strafrechtelijke kwalificatie

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een uitspraak van de Rechtbank te Dordrecht die toestemming gaf tot de tenuitvoerlegging in Nederland van een Engelse veroordeling wegens conspiracy tot drugshandel. De rechtbank kwalificeerde de feiten als medeplegen van overtreding van de Opiumwet en legde een gevangenisstraf van negen jaar op, terwijl de Engelse straf vijftien jaar bedroeg.

De Hoge Raad oordeelt dat de Nederlandse rechter bij de omzetting van een buitenlandse straf moet nagaan welke strafbare feiten de buitenlandse rechter aan de veroordeling ten grondslag heeft gelegd en deze moet omzetten naar het overeenkomstige Nederlandse strafrechtelijke delict. Uit het Engelse vonnis blijkt dat de veroordeelde is veroordeeld voor conspiracy ex art. 1.1 Criminal Law Act 1977, wat in Nederland overeenkomt met deelneming aan een criminele organisatie en overtreding van art. 10a Opiumwet.

Omdat het maximumstraf voor deze feiten in Nederland acht jaar is, is de hogere straf van negen jaar niet toelaatbaar. De Hoge Raad vernietigt daarom de bestreden uitspraak en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor herbehandeling. Het tweede middel faalt en behoeft geen nadere behandeling.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de uitspraak en wijst de zaak terug voor herbeoordeling van de tenuitvoerlegging van de Engelse straf.

Uitspraak

20 juni 2006
Strafkamer
nr. 00427/06 W
AJ/IC
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de Rechtbank te Dordrecht van 29 december 2005, nummer 11/994002-05, omtrent een vordering van de Officier van Justitie tot het verlenen van verlof tot tenuitvoerlegging van een vonnis van het Crown Court te Liverpool (Verenigd Koninkrijk) tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, ten tijde van de betekening van de aanzegging gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting "Dordtse Poorten" te Dordrecht.
1. De bestreden uitspraak
De Rechtbank heeft toelaatbaar verklaard de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Crown Court te Liverpool van 6 mei 2004, waarbij de veroordeelde is veroordeeld tot vijftien jaren gevangenisstraf. De Rechtbank heeft verlof verleend tot tenuitvoerlegging in Nederland van de genoemde beslissing en de veroordeelde ter zake van de in die beslissing vermelde feiten een gevangenisstraf opgelegd van negen jaren. Voorts heeft de Rechtbank bevolen dat de tijd, welke de veroordeelde in het Verenigd Koninkrijk ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie, met het oog op de overbrenging naar Nederland en uit hoofde van de Wet overdracht tenuitvoerlegging strafvonnissen van zijn vrijheid is beroofd geweest, bij de uitvoering van die straf geheel in mindering zal worden gebracht.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door de veroordeelde. Namens deze hebben mr. G.P. Hamer en mr. B.P. de Boer, beiden advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar de Rechtbank te Dordrecht opdat de zaak op de bestaande vordering opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadslieden op de conclusie van de Procureur-Generaal.
3. Beoordeling van het eerste middel
3.1. Het middel behelst de klacht dat de Rechtbank de door de Engelse rechter ten laste van de veroordeelde bewezenverklaarde feiten ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, naar Nederlands recht heeft aangemerkt als het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in art. 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod. De Rechtbank heeft aldus, zo stelt het middel voorts, een hogere straf opgelegd dan de Nederlandse Strafwet toestaat.
3.2.1. Het door de verzoekende staat overgelegde en ten laste van de veroordeelde gewezen vonnis van het Crown Court te Liverpool, van 6 mei 2004, houdt onder meer in:
"Count 1
STATEMENT OF OFFENCE
CONSPIRACY TO SUPPLY CLASS A CONTROLLED DRUGS TO ANOTHER, contrary to Section 1 (1) of the Criminal Law Act 1977
PARTICULARS OF OFFENCE
[Betrokkene 1], [verdachte], [betrokkene 2], [betrokkene 3] and [betrokkene 4] between the 17th day of March 2003 and 22nd day of September 2003 conspired together and with [betrokkene 5], [betrokkene 6] and with others unknown to supply 7.009 kilograms of cocaine, 3.440 kilograms of diamorphine and 46,010 MDMA tablets, controlled drugs of Class A to a person or persons unknown in contravention of Section 4 (1) of the Misuse of Drugs Act 1971
Count 2
STATEMENT OF OFFENCE
CONSPIRACY TO SUPPLY CLASS B CONTROLLED DRUGS TO ANOTHER, contrary to section 1 (1) of the Criminal Law Act 1977
PARTICULARS OF OFFENCE
[Betrokkene 1], [verdachte], [betrokkene 2], [betrokkene 3] and [betrokkene 4] between the 17th day of March 2003 and 22nd day of September 2003 conspired together and with [betrokkene 5], [betrokkene 6] and with others unknown to supply 119,285 amphetamine tablets, controlled drugs of Class B to a person or persons unknown in contravention of Section 4 (1) of the Misuse of Drugs Act 1971."
3.2.2. Het vonnis van 6 mei 2004, houdt, voorzover hier van belang, als overwegingen van rechter Boulton in:
"Over a period of six months from March to September last year the five of you were involved in a scheme to bring to Liverpool vast quantities of heroin, cocaine, ecstasy and amphetamine.
In the unit in Litherland on 20th September last were found quantities of each of these drugs of such purity that they are said to be worth £1.3m when sold on the streets of this City.
(...)
[Verdachte], acting as [betrokkene 1]'s lieutenant from almost the beginning, you were with him on the 3rd September flight and with him at the unit on 20th september. You too were entitled to your trial but that means that there is no remorse and no mitigation for you or from you. Even though you are of previous good character you were involved in this conspiracy for six months. You will go to prison for 15 years, with six years concurrent on count 2. That is 15 years in all."
3.3. De Nederlandse (exequatur-)rechter dient voor wat betreft de beantwoording van de vraag of de tenuitvoerlegging toelaatbaar is gelet op art. 28, derde lid, WOTS op basis van de feiten die de buitenlandse rechter kennelijk aan zijn veroordeling ten grondslag heeft gelegd, na te gaan of en zo ja welke strafbare feiten deze naar Nederlands recht opleveren. Voorts dient ingevolge art. 31 WOTS Pro de Nederlandse rechter de straf of maatregel op te leggen welke op het overeenkomstige feit naar Nederlands recht is gesteld. (vgl. HR 23 augustus 2005, LJN AT7122).
3.4. Het oordeel van de Rechtbank, dat de feiten die het Crown Court te Liverpool aan zijn veroordeling ten grondslag heeft gelegd, naar Nederlands recht overtreding van art. 2 onder Pro A juncto art. 10 Opiumwet Pro, alsmede art. 47 Sr Pro opleveren, is niet zonder meer begrijpelijk, gezien de hiervoor onder 3.2 weergegeven passages uit het Engelse vonnis van 6 mei 2004. Uit dat vonnis volgt dat de strafbare feiten waarvoor de veroordeelde is veroordeeld 'conspiracy' betreffen, strafbaar gesteld in art. 1 onder Pro 1 van de Criminal Law Act 1977. De desbetreffende feiten leveren, als eenzelfde inbreuk naar Nederlands recht, op deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven alsmede overtreding van art. 10a Opiumwet. Nu op deze strafbare feiten gelet op art. 57 Sr Pro een strafmaximum van acht jaar is gesteld, is het middel, voorzover het daarover klaagt, eveneens terecht voorgesteld.
4. Beoordeling van het tweede middel
Het middel kan niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu het middel niet noopt tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de Rechtbank te Dordrecht, opdat de zaak op de bestaande vordering opnieuw wordt behandeld en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president C.J.G. Bleichrodt als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 20 juni 2006.