ECLI:NL:HR:2006:AX1086
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- J.W. van den Berge
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad beslist over liquidatie-uitkering van emigrerende vennootschap en belastingheffing
Belanghebbende, sinds oktober 1996 inwoner van België, ontving in augustus 1997 een liquidatie-uitkering van een vennootschap die voor belastingdoeleinden in België was gevestigd. De Inspecteur legde een aanslag op naar een belastbaar inkomen van ƒ 1.977.456, welke na bezwaar werd gehandhaafd en door het Hof werd bevestigd. De Hoge Raad oordeelt echter dat de liquidatie-uitkering moet worden aangemerkt als afkomstig van een Belgische vennootschap aan een Belgische inwoner, conform artikel 4 van Pro het belastingverdrag Nederland-België.
Het Hof had geoordeeld dat de rechten en verplichtingen die aan de uitkering ten grondslag liggen al waren vastgesteld toen de vennootschap nog in Nederland was gevestigd, waardoor de uitkering als Nederlands inkomen werd beschouwd. De Hoge Raad verwierp dit standpunt en stelde dat het Verdrag de plaats van de werkelijke leiding van de vennootschap als bepalend aanmerkt, waardoor Nederland geen heffing mag opleggen.
De Hoge Raad verklaart het beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van het Hof en de aanslag van de Inspecteur, vermindert de aanslag tot een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 247.402, en veroordeelt de Staat tot vergoeding van proceskosten. Hiermee wordt bevestigd dat de fiscale gevolgen van emigratie en liquidatie-uitkeringen moeten worden beoordeeld aan de hand van het toepasselijke belastingverdrag.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het Hof en vermindert de aanslag wegens toepassing van het belastingverdrag Nederland-België.