ECLI:NL:HR:2006:AX2034
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- D.G. van Vliet
- F.W.G.M. van Brunschot
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt kwalificatie LLC als deelneming voor vennootschapsbelasting
Belanghebbende, een houdster- en financieringsmaatschappij, was eigenaar van 20% van een Amerikaanse LLC die op haar beurt vastgoedvennootschappen in het Verenigd Koninkrijk hield. Voor de jaren 1998 tot en met 2000 werden aanslagen vennootschapsbelasting opgelegd, die na bezwaar deels werden gehandhaafd. Het Hof verklaarde de beroepen ongegrond en oordeelde dat de LLC niet fiscaal transparant is en kwalificeert als een vennootschap met aandelenkapitaal volgens artikel 13 lid 2 Wet Pro Vpb 1969.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat de LLC economisch en maatschappelijk vergelijkbaar is met een Nederlandse BV. De deelnemingsvrijstelling is van toepassing indien een lichaam aanspraak kan maken op een deel van het eigen vermogen van de buitenlandse entiteit en niet zelf voor die winst wordt belast. De Hoge Raad verwierp de klachten tegen het oordeel van het Hof en de bezwaren tegen de afwijzing van aftrek van kosten en vergoeding van doorgeleende gelden.
De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft de kwalificatie van de LLC als deelneming voor de vennootschapsbelasting ongewijzigd, met toepassing van artikel 13 en Pro 13a van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de kwalificatie van de LLC als deelneming conform artikel 13 Wet Vpb 1969 wordt bevestigd.