3.1 In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [Verweerder], geboren op [geboortedatum] 1974, heeft tussen 6 april en 1 mei 1994 als proefpersoon deelgenomen aan een geneesmiddelenonderzoek (betreffende tiagabine en digoxine) in het klinisch research instituut van Pharma. In het kader van dit onderzoek werden bloedmonsters afgenomen door middel van het intraveneus inbrengen van een verblijfscatheter (canule of venflon) in een ader van een van de onderarmen. [Verweerder] is voorafgaand aan het onderzoek van de doelstellingen en risico's daarvan op de hoogte gesteld, waarna hij een "written informed consent form" heeft ondertekend.
(ii) Op 15 april 1994 rond 08.00 uur heeft de voor Pharma werkzame verpleegster [betrokkene 1] tevergeefs getracht een venflon in de rechteronderarm van [verweerder] in te brengen. Haar collega [betrokkene 2] heeft vervolgens een nieuwe venflon in diezelfde arm ingebracht. Later die dag is een venflon ingebracht in de linkeronderarm.
(iii) [Verweerder] heeft op 15 april 1994 geklaagd over pijn in zijn rechterarm.
(iv) Vanwege aanhoudende pijnklachten heeft de aan Pharma verbonden arts [betrokkene 3] hem verwezen naar de neuroloog [betrokkene 4], verbonden aan het Martini-ziekenhuis in Groningen. Deze heeft op 10 mei 1994 de volgende conclusie getrokken: "Ik kan de doofheid niet verklaren door een zenuwletsel. Ook de pijnklachten niet. (...) De klachten worden mijns inziens verklaard door een beginnende dystrofie, al brengt hij ze voor zijn dominante hand opvallend rustig." Met doofheid wordt hier bedoeld een doof gevoel in de rechterhand.
(v) Omdat [betrokkene 4] nadere behandeling noodzakelijk achtte, heeft [verweerder] zich vervolgens onder behandeling gesteld van [betrokkene 5], revalidatie-arts verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Utrecht. Deze stelde op 25 november 1994 de diagnose "sympathische reflexdystrofie rechterhand na mislukte poging tot inbrengen van intraveneuze canule d.d. 15-4-1994".
(vi) Op verzoek van Pharma is [verweerder] op 21 november 1994 onderzocht door prof. dr. [betrokkene 6], verbonden aan het Academisch Ziekenhuis te Nijmegen. Deze concludeerde tot de aanwezigheid van een ernstige posttraumatische dystrofie van de rechterhand en -onderarm, met een sombere prognose, gezien de ernst van de klachten en de relatief lange bestaansduur.
(vii) In augustus 1987 heeft [verweerder] peesletsel opgelopen aan de duim van zijn rechterhand. Hij is hiervoor geopereerd door de plastisch chirurg [betrokkene 7].
(viii) [Verweerder] is in september 1994 begonnen met een opleiding tot fysiotherapeut. De examens kan hij vanwege de problemen met zijn rechterhand niet op de normale wijze afleggen. [Verweerder] is rechtshandig.