ECLI:NL:HR:2006:AX7319
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- P.J. van Amersfoort
- C.A. Streefkerk
- Rechtspraak.nl
Rekening houden met kans op ongedaanmaking van niet-onherroepelijke vrijstelling bij WOZ-waardering
Belanghebbende, eigenaar van een perceel met opslaghallen bestemd voor agrarisch gebruik, kreeg de WOZ-waarde vastgesteld op ƒ 14.463.000 (€ 6.563.023) voor de jaren 2001-2004. De gemeente had vooruitlopend op een bestemmingswijziging een vrijstelling verleend, maar deze was nog niet onherroepelijk vanwege een lopende bezwaar- en beroepsprocedure bij de Raad van State.
Belanghebbende voerde aan dat bij de waardering onvoldoende rekening was gehouden met het waardedrukkende effect van de onzekerheid over de vrijstelling. Het Hof verwierp dit omdat de stellingen onvoldoende waren onderbouwd en de kans op ongedaanmaking niet reëel werd geacht. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en stelt dat hoewel rekening moet worden gehouden met de kans op ongedaanmaking van een nog niet onherroepelijke vrijstelling, het Hof terecht oordeelde dat hier geen reële kans bestond die de waarde substantieel zou drukken.
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat het oordeel van het Hof, dat mede feitelijke waarderingen bevat, niet in cassatie kan worden getoetst. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het arrest van het Hof blijft in stand.