ECLI:NL:HR:2006:AX7341
Hoge Raad
- Cassatie
- A.E.M. van der Putt-Lauwers
- F.W.G.M. van Brunschot
- P. Lourens
- C.B. Bavinck
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt geen heffingsbevoegdheid Nederland over liquidatie-uitkering volgens belastingverdrag met België
In 1999 ontving belanghebbende, woonachtig in België, een liquidatie-uitkering van een Nederlandse besloten vennootschap die dat jaar werd geliquideerd. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde de aanslag nihil.
De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen deze uitspraak. Het Hof had geoordeeld dat de liquidatie-uitkering niet als dividend, maar als vervreemdingswinst moest worden aangemerkt volgens het belastingverdrag Nederland-België van 1970. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bepaald dat inkomsten uit inkoop van eigen aandelen en liquidatie-uitkeringen als vervreemdingswinst worden beschouwd, waardoor Nederland geen heffingsrecht toekomt.
De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en oordeelde dat er geen grond was voor een andere kwalificatie van de liquidatie-uitkering. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 9 juni 2006 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en Nederland heeft geen heffingsbevoegdheid over de liquidatie-uitkering.