ECLI:NL:HR:2006:AX7341

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41376
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • A.E.M. van der Putt-Lauwers
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
  • E.N. Punt
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 belastingverdrag Nederland-BelgiëArt. 13 belastingverdrag Nederland-BelgiëArt. 20a lid 6 Wet op de inkomstenbelasting 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geen heffingsbevoegdheid Nederland over liquidatie-uitkering volgens belastingverdrag met België

In 1999 ontving belanghebbende, woonachtig in België, een liquidatie-uitkering van een Nederlandse besloten vennootschap die dat jaar werd geliquideerd. De Inspecteur legde een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen op, die na bezwaar werd gehandhaafd. Het Hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond, vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde de aanslag nihil.

De Hoge Raad behandelde het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën tegen deze uitspraak. Het Hof had geoordeeld dat de liquidatie-uitkering niet als dividend, maar als vervreemdingswinst moest worden aangemerkt volgens het belastingverdrag Nederland-België van 1970. De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwees naar eerdere jurisprudentie waarin werd bepaald dat inkomsten uit inkoop van eigen aandelen en liquidatie-uitkeringen als vervreemdingswinst worden beschouwd, waardoor Nederland geen heffingsrecht toekomt.

De Hoge Raad wees het cassatieberoep af en oordeelde dat er geen grond was voor een andere kwalificatie van de liquidatie-uitkering. Tevens werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Het arrest werd op 9 juni 2006 uitgesproken door de vice-president en raadsheren van de Hoge Raad.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris van Financiën wordt ongegrond verklaard en Nederland heeft geen heffingsbevoegdheid over de liquidatie-uitkering.

Uitspraak

Nr. 41.376
9 juni 2006
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 6 september 2004, nr. 02/03415, betreffende na te melden aan X te Z (België) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/ premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar binnenlands inkomen van ƒ 634.975, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot nihil. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Belanghebbende was in 1999 woonachtig in België. In 1999 ontving hij een liquidatie-uitkering van A B.V. (hierna: de B.V.) ter grootte van ƒ 679.902. Deze vennootschap is in 1987 opgericht naar Nederlands recht en in 1999 geliquideerd. Op 28 november 1999 is de vereffening gesloten.
3.2. Het Hof heeft geoordeeld dat Nederland ter zake van de liquidatie-uitkering door de B.V. niet heffingsbevoegd is omdat de liquidatie-uitkering voor de toepassing van het belastingverdrag Nederland-België van 19 oktober 1970 (hierna: het Verdrag) niet moet worden aangemerkt als dividend in de zin van artikel 10, paragraaf 1, in verbinding met paragraaf 3, van het Verdrag, maar als vervreemdingswinst in de zin van artikel 13 van Pro het Verdrag.
3.3. Dit oordeel wordt door het middel vergeefs bestreden. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 12 december 2003, nr. 38461, BNB 2004/123, beslist dat inkomsten uit inkoop van eigen aandelen door een in Nederland gevestigde besloten vennootschap, gelet op de wijze waarop die inkomsten naar Nederlands nationaal recht worden behandeld, voor de toepassing het Verdrag moet worden aangemerkt als opbrengst van een vervreemding van aandelen en dat daarom aan Nederland ter zake van die opbrengst geen heffingsrecht toekomt op grond van artikel 10, paragraaf 2, van het Verdrag. Nu artikel 20a, lid 6, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 zowel het inkopen van aandelen als het betaalbaar stellen van liquidatie-uitkeringen als een vervreemding van aandelen aanmerkt, is er, in het licht van het Verdrag, onvoldoende grond om voor een liquidatie-uitkering anders te oordelen.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, en de raadsheren F.W.G.M. van Brunschot, P. Lourens, C.B. Bavinck en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 9 juni 2006.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 422.