ECLI:NL:HR:2006:AX9144
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- C.J.J. van Maanen
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid beroep in cassatie bij navorderingsaanslagen belastingrecht
Belanghebbende kreeg navorderingsaanslagen opgelegd voor de jaren 1992 tot en met 1997 inzake inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en vermogensbelasting. Na bezwaar werden deze aanslagen gehandhaafd, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof verklaarde het beroep gegrond voor enkele jaren en vernietigde de aanslagen deels, met verminderingen van de aanslagen.
Belanghebbende stelde vervolgens beroep in cassatie in tegen het arrest van het Hof. De kern van het geschil in cassatie betrof de ontvankelijkheid van het beroep, omdat het cassatieberoep werd ingediend na afloop van de wettelijke termijn. De termijn begon op zaterdag 30 juli 2005, de dag na verzending van de uitspraak van het Hof, en eindigde op vrijdag 9 september 2005. Het cassatieberoep werd echter pas op maandag 12 september 2005 ingediend.
De Hoge Raad overwoog dat het feit dat de termijn op een zaterdag begon geen reden is om de termijn te verlengen of te verschonen. Ook het feit dat de gemachtigde van belanghebbende de uitspraak pas op 1 augustus 2005 ontving, leidt niet tot een verlenging van de termijn. Belanghebbende had tijdig, eventueel pro forma, beroep in cassatie kunnen instellen. Daarom werd het beroep in cassatie niet-ontvankelijk verklaard.
De Hoge Raad achtte geen reden aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten en sprak het arrest uit op 23 juni 2006.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige indiening.