ECLI:NL:HR:2006:AX9395

Hoge Raad

Datum uitspraak
30 juni 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
C05/129HR
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 RO
Verwijzingen
2 uitgaand · 4 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid advocaat voor niet tijdig instellen hoger beroep

Cliënten vorderden van hun voormalige advocaat schadevergoeding wegens het niet tijdig instellen van hoger beroep tegen een vonnis waarbij zij tot schadevergoeding aan een derde waren veroordeeld. De rechtbank wees hun vordering af en veroordeelde hen in de proceskosten. Zowel in hoger beroep als in cassatie werd deze beslissing bevestigd.

De rechtbank beval bewijsopdracht en hield getuigenverhoren, maar oordeelde uiteindelijk dat de advocaat niet aansprakelijk was. Het hof bekrachtigde dit oordeel en wees het incidenteel hoger beroep van de advocaat af. De Hoge Raad stelde vast dat de aangevoerde klachten geen cassatiegrond opleverden en verwierp het beroep zonder nadere motivering.

De Hoge Raad veroordeelde de eisers in de kosten van het cassatiegeding en bevestigde daarmee de eerdere uitspraken. De zaak betreft de beroepsaansprakelijkheid van een advocaat en de grenzen van diens aansprakelijkheid voor het niet tijdig instellen van hoger beroep.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de eisers werd verworpen en zij werden veroordeeld in de kosten van het cassatiegeding.

Uitspraak

30 juni 2006
Eerste Kamer
Nr. C05/129HR
JMH/RM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
in de zaak van:
1. [Eiser 1],
wonende te [woonplaats],
2. [Eiseres 2],
wonende te [woonplaats],
EISERS tot cassatie,
advocaat: mr. P. Garretsen,
t e g e n
[Verweerder],
wonende te [woonplaats],
VERWEERDER in cassatie,
advocaat: mr. D. Rijpma.
1. Het geding in feitelijke instanties
Eisers tot cassatie - verder te noemen: [eiser] c.s. - hebben bij exploot van 11 april 2002 verweerder in cassatie - verder te noemen: [verweerder] - gedagvaard voor de rechtbank te Arnhem en gevorderd bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [verweerder] te veroordelen om aan [eiser] c.s. tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 66.262,15, vermeerderd met de wettelijke rente over € 63.262,15 vanaf 3 juni 1997 tot aan de dag van de algehele voldoening, alsmede hem te veroordelen in de kosten van deze procedure.
[Verweerder] heeft de vordering bestreden.
De rechtbank heeft bij tussenvonnis van 19 december 2002 [verweerder] bewijs opgedragen.
Na op 19 maart 2003 en 11 juni 2003 gehouden getuigenverhoren heeft de rechtbank bij eindvonnis van 1 oktober 2003 aan [eiser] c.s. hun vorderingen ontzegd en hen, uitvoerbaar bij voorraad, in de kosten van deze procedure veroordeeld.
Tegen het eindvonnis hebben [eiser] c.s. hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem. [Verweerder] heeft voorwaardelijk incidenteel hoger beroep ingesteld.
Bij arrest van 18 januari 2005 heeft het hof in het principaal appel het eindvonnis van de rechtbank te Arnhem bekrachtigd en [eiser] c.s. tezamen in de kosten van het principaal appel veroordeeld. In het voorwaardelijk incidenteel appel heeft het hof verstaan dat dit geen behandeling behoeft.
Het arrest van het hof is aan dit arrest gehecht.
2. Het geding in cassatie
Tegen het arrest van het hof hebben [eiser] c.s. beroep in cassatie ingesteld. De cassatiedagvaarding is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
[Verweerder] heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
De zaak is voor partijen toegelicht door hun advocaten.
De conclusie van de Advocaat-Generaal J. Spier strekt tot verwerping van het beroep.
3. Beoordeling van de middelen
De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Beslissing
De Hoge Raad:
verwerpt het beroep;
veroordeelt [eiser] c.s. in de kosten van het geding in cassatie, tot op deze uitspraak aan de zijde van [verweerder] begroot op € 1.171,34 aan verschotten en € 2.200,-- voor salaris.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.B. Fleers als voorzitter en de raadsheren A.M.J. van Buchem-Spapens, E.J. Numann, J.C. van Oven en W.A.M. van Schendel, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer E.J. Numann op 30 juni 2006.