ECLI:NL:HR:2006:AY6005

Hoge Raad

Datum uitspraak
11 augustus 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41974
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 lid 2 letter a Wet op de omzetbelasting 1968Art. 12 lid 3 letter a Zesde richtlijnRichtlijn 92/77/EEGTabel I post 35 Wet op de omzetbelasting 1968
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitlegging begrip spierstimulatoren voor toepassing verlaagd btw-tarief

Belanghebbende heeft omzetbelasting betaald over de verkoop van een vibratietafel die trillingen opwekt om spieren te stimuleren. Zij vorderde toepassing van het verlaagde btw-tarief voor spierstimulatoren, zoals genoemd in de Wet op de omzetbelasting 1968, maar dit werd door de inspecteur en het hof afgewezen. Het hof oordeelde dat het begrip spierstimulatoren in de wet beperkt is tot apparaten die gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps en uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten.

De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en verwijst naar de wetsgeschiedenis en Europese richtlijnen die een ruime uitleg van het begrip niet ondersteunen. Het hof heeft terecht geoordeeld dat het apparaat van belanghebbende niet onder deze definitie valt. Klachten tegen dit oordeel falen omdat het geen onjuiste rechtsopvatting bevat en feitelijke waarderingen niet in cassatie kunnen worden getoetst.

De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond en wijst de proceskostenveroordeling af. Hiermee blijft het algemene btw-tarief van toepassing op de leveringen van het apparaat door belanghebbende.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het verlaagde btw-tarief wordt niet toegepast op het apparaat.

Uitspraak

Nr. 41.974
11 augustus 2006
whk
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 28 februari 2005, nr. P04/00656, betreffende na te melden op aangifte voldaan bedrag aan omzetbelasting.
1. Aangifte, bezwaar en geding voor het Hof
Belanghebbende heeft over het tijdvak februari 2003 op aangifte een bedrag van € 2054 aan omzetbelasting voldaan. Belanghebbende heeft tegen dit bedrag bezwaar gemaakt, welk bezwaar bij uitspraak van de Inspecteur is afgewezen.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
3. Beoordeling van de klachten
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
Belanghebbende verhandelt de zogeheten G. Dit is een apparaat, bestaande uit een platform - de vibratietafel - dat trillingen opwekt. Wanneer een persoon op het platform gaat staan, worden de trillingen als energie overgedragen op het lichaam. Deze (mechanische) prikkels geven een rek-reflex van de spieren.
Belanghebbende verkoopt G onder meer aan sportscholen, fysiotherapeuten en particulieren. Zij heeft ter zake van de leveringen van dit apparaat omzetbelasting voldaan naar het algemene tarief. Op grond van artikel 9, lid 2, letter a, van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: de Wet) juncto de bij die Wet behorende Tabel I, letter a, post 35, is zij van mening dat het verlaagde tarief van toepassing is.
3.2. Het Hof heeft onder verwijzing naar artikel 12, lid 3, letter a, derde alinea, van de Zesde richtlijn en post 4 van de bij die richtlijn behorende Bijlage H geoordeeld dat met het begrip spierstimulatoren in post 35 uitsluitend wordt gedoeld op spierstimulatoren welke gewoonlijk bestemd zijn voor verlichting of behandeling van handicaps, voor uitsluitend persoonlijk gebruik door gehandicapten. Naar het oordeel van het Hof biedt de geschiedenis van de totstandkoming van post 35, genoemd in de bij de Wet behorende Tabel I, letter a, geen aanknopingspunt voor een ruimere uitlegging van de post.
Voorzover de klachten zijn gericht tegen evenvermeld oordeel, falen zij. Tijdens de parlementaire behandeling van het wetsontwerp tot aanpassing van de Wet aan de Richtlijn tot aanvulling van het gemeenschappelijk stelsel van de belasting over de toegevoegde waarde en tot wijziging van Richtlijn 77/388/EEG, onderlinge aanpassing van de BTW-tarieven, van de Raad van 19 oktober 1992, nr. 92/77/EEG, Pb EG 1992, nr. L 316 (welke richtlijn is verwerkt in de Zesde richtlijn, in het bijzonder artikel 12 en Pro bijlage H) is onder meer opgemerkt:
"De btw-tariefrichtlijn voorziet erin dat het de Lid-Staten op een aantal terreinen vrijstaat al dan niet gebruik te maken van een aantal bepalingen. De voor Nederland relevante punten zullen wij hieronder kort behandelen. In algemene zin stellen wij in dit wetsvoorstel alleen wijziging van de tariefindeling voor, voor zover de btw-tariefrichtlijn dit dwingend voorschrijft." (Kamerstukken II 1992/93, nr. 22 873, MvT blz. 13).
Gelet op de wetsgeschiedenis dient ervan te worden uitgegaan dat de Nederlandse wetgever bij de aanpassing van de Wet - bij Wet van 21 december 1977, Stb. 703 - aan de vermelde richtlijn inzake de BTW-tarieven, waarbij post 35 van Tabel I, letter a, ongewijzigd is gebleven, aan deze post geen groter bereik heeft willen geven dan post 4 van vermelde bijlage H.
3.3. Het Hof heeft voorts geoordeeld dat G niet als een spierstimulator in vorenbedoelde zin kan worden aangemerkt. Voorzover de klachten zijn gericht tegen dit oordeel en betogen dat het onderhavige apparaat gewoonlijk bestemd is voor verlichting of behandeling van handicaps, falen zij eveneens. Het oordeel van het Hof geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en kan, als verweven met waarderingen van feitelijke aard, voor het overige in cassatie niet op juistheid worden getoetst. Het is ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en E.N. Punt, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 11 augustus 2006.