ECLI:NL:HR:2006:AY6709
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad oordeelt over inkeerbepaling en redelijke termijn in belastingfraudezaak
In deze zaak stond de verdachte terecht voor het medeplegen van het opzettelijk onjuist indienen van aangiften voor omzet- en loonbelasting over meerdere maanden in de periode 1996-1999. Het hof had de verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf, een taakstraf en een geldboete. De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was wegens toepassing van de inkeerbepaling van artikel 69 lid 3 AWR Pro.
De Hoge Raad bevestigde dat de inkeerbepaling strafvervolging van de schuldige uitsluit, maar dat degene die feitelijke leiding gaf of medepleegde niet van die inkeer kan profiteren. De verdachte had verklaard niet op de hoogte te zijn geweest van de correctieaangiften en had deze ook niet bevorderd, waardoor het hof terecht het beroep op inkeer had verworpen.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep werd gecompenseerd door voortvarende behandeling, terwijl de zaak bijna twee jaar en vier maanden na het instellen van het hoger beroep werd afgedaan. De Hoge Raad stelde vast dat de redelijke termijn was overschreden en verminderde daarom de opgelegde straf.
De Hoge Raad vernietigde het deel van het arrest dat betrekking had op de strafmaat en stelde het aantal uren taakstraf en de duur van de vervangende hechtenis lager vast, terwijl het beroep voor het overige werd verworpen.
Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en bevestigt dat de verdachte geen beroep kan doen op de inkeerbepaling.