ECLI:NL:HR:2006:AY7206
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- P.J. van Amersfoort
- A.R. Leemreis
- Rechtspraak.nl
Bindingspremie bij Koninklijke Luchtmacht niet belast als nalaten werkzaamheden
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2000 een aanslag inkomstenbelasting opgelegd over een belastbaar inkomen inclusief een bindingspremie van de Koninklijke Luchtmacht. Na bezwaar en beroep bij het Hof werd de aanslag gehandhaafd. Het Hof oordeelde dat de bindingspremie niet was verstrekt om werkzaamheden elders na te laten, maar om werkzaamheden bij de Koninklijke Luchtmacht voort te zetten.
Belanghebbende stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad bevestigde het oordeel van het Hof dat de bindingspremie niet kon worden aangemerkt als inkomen verkregen wegens het nalaten van werkzaamheden in de zin van artikel 31, lid 2, Wet IB 1964. Het Hof had dit oordeel als feitelijk en niet onbegrijpelijk bestempeld, zodat cassatie daarop niet slaagde.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat de overige middelen geen aanleiding gaven tot cassatie en dat er geen reden was voor proceskostenveroordeling. Het beroep werd ongegrond verklaard en het arrest werd in het openbaar uitgesproken op 1 september 2006.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard en de bindingspremie is niet belast als nalaten van werkzaamheden.