ECLI:NL:HR:2006:AY7790
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.W. Ilsink
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bevoegdheid buitengewoon opsporingsambtenaar en bewijsgebruik in bestuursrechtelijke vordering
De zaak betreft een beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof Leeuwarden waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk niet voldoen aan een vordering van een controleambtenaar van de Keuringsdienst van Waren. Deze vordering was gedaan op grond van artikel 5:17 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) met betrekking tot inzage van administratieve gegevens over gespecificeerd hoog risico materiaal.
Centraal stond de vraag of de buitengewoon opsporingsambtenaar bevoegd was een proces-verbaal op te maken dat als bewijs kon dienen in de strafzaak. De Hoge Raad stelde vast dat op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Voedsel en Waren Autoriteit 2002 de opsporingsbevoegdheid beperkt was tot bepaalde strafbare feiten en dat het proces-verbaal niet als een proces-verbaal in de zin van art. 344, eerste lid, onder 2°, Sv kon worden aangemerkt.
Het proces-verbaal moest daarom worden beschouwd als een ander geschrift ex art. 344, eerste lid, onder 5°, Sv, dat slechts in samenhang met andere bewijsmiddelen, zoals de verklaring van verdachte, voor bewijs kan worden gebruikt. De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde het oordeel van het hof dat verdachte opzettelijk niet had voldaan aan de vordering van de toezichthouder.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling wegens het opzettelijk niet voldoen aan een bestuursrechtelijke vordering.