ECLI:NL:HR:2006:AY9179
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- W.A.M. van Schendel
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt niet-ontvankelijkverklaring OM wegens overschrijding redelijke termijn ontnemingsvordering
In deze zaak stond de vraag centraal of het openbaar ministerie (OM) niet-ontvankelijk verklaard kon worden in een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel vanwege overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM.
Het hof had geoordeeld dat het totale tijdsverloop tussen de aanvang van de behandeling in eerste aanleg op 16 april 1998 en de behandeling in hoger beroep op 29 september 2005 zodanig lang was dat niet meer kon worden gesproken van een redelijke termijn. Het hof verklaarde daarop het OM niet-ontvankelijk, ondanks dat de overschrijding niet aan de betrokkene of diens raadsman kon worden toegerekend.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had gemotiveerd waarom deze overschrijding tot niet-ontvankelijkheid moest leiden, mede gelet op de belangenafweging tussen het belang van de gemeenschap bij voordeelsontneming en het belang van de betrokkene bij verval van dat recht. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe beoordeling binnen het bestaande hoger beroep.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof en verwijst de zaak terug voor hernieuwde behandeling wegens onvoldoende motivering van de niet-ontvankelijkverklaring van het OM.