ECLI:NL:HR:2006:AZ0229
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Beoordeling specialiteitsbeginsel bij gedeeltelijke toelaatbaarheid uitlevering
In deze zaak stond een beroep in cassatie centraal tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam die een verzoek tot uitlevering van een persoon aan Noorwegen deels toelaatbaar en deels ontoelaatbaar had verklaard. De kern van het geschil betrof de toepassing van het specialiteitsbeginsel, dat bepaalt dat een persoon die wordt uitgeleverd alleen kan worden vervolgd voor de feiten waarvoor uitlevering is toegestaan.
De verdachte voerde aan dat de rechtbank niet had aangegeven tot welke vermindering van de straf de ontoelaatbaarheid van uitlevering moest leiden, waardoor de Noorse autoriteiten zelf zouden bepalen hoe lang hij in detentie zou blijven. De Hoge Raad verwierp dit verweer, stellende dat het niet aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen welk deel van de straf betrekking heeft op de toegestane feiten; dit is een taak van de bevoegde autoriteiten in de verzoekende staat.
Verder bevestigde de Hoge Raad dat de uitleveringsrechter niet bevoegd is om te oordelen over een dreigende schending van het specialiteitsbeginsel, behalve in uitzonderlijke gevallen die hier niet aan de orde waren. Het beroep in cassatie werd daarom verworpen en de bestreden uitspraak bleef in stand.
De uitspraak verduidelijkt de rol van de uitleveringsrechter en bevestigt de verantwoordelijkheid van de verzoekende staat voor de naleving van het specialiteitsbeginsel na uitlevering.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de gedeeltelijke toelaatbaarheid van de uitlevering wordt bevestigd.