ECLI:NL:HR:2006:AZ0636
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Veroordeling bestuurder voor bedrieglijke verkorting van schuldeisers bij faillissement
De zaak betreft een bestuurder van Stichting [A], die in de periode van juli 1998 tot april 2001 als voorzitter en penningmeester samen met een medebestuurder contante geldbedragen van bankrekeningen van de stichting heeft opgenomen en aan de boedel heeft onttrokken. Tevens werden betalingen voor privédoeleinden verricht en debiteuren van de stichting lieten betalen op een privé-rekening, waardoor baten ter waarde van fl. 29.884,00 niet aan de curator werden verantwoord.
De rechtbank veroordeelde de verdachte voor het niet verantwoorden van baten en het onttrekken van goederen aan de boedel, wat het hof in hoger beroep bevestigde en strafrechtelijk bestrafte met een voorwaardelijke gevangenisstraf en een taakstraf. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze uitspraak.
De Hoge Raad oordeelde dat artikel 343, lid 3 Sr geen specialis is van lid 1 en dat de tenlastelegging niet alle bestanddelen van lid 3 bevatte, maar dit was geen reden voor ontslag van rechtsvervolging. De overige middelen faalden eveneens. Het cassatieberoep werd verworpen en de veroordeling bleef in stand.
De uitspraak benadrukt de reikwijdte van artikel 343 Sr Pro en bevestigt dat bevoordelingshandelingen van bestuurders onder lid 1 vallen, niet onder lid 3. De strafmaat bestond uit een voorwaardelijke gevangenisstraf van vier maanden met een proeftijd van twee jaar en een taakstraf van 160 uur, subsidiair tachtig dagen hechtenis.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de veroordeling tot een voorwaardelijke gevangenisstraf en taakstraf wegens bedrieglijke verkorting van de rechten van schuldeisers.