ECLI:NL:HR:2006:AZ0718

Hoge Raad

Datum uitspraak
26 september 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00489/06 H
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Herziening
Rechters
  • F.H. Koster
  • B.C. de Savornin Lohman
  • J.W. Ilsink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 459 SvArt. 460 Sv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van herzieningsverzoek wegens ontbreken nieuwe omstandigheden

De zaak betreft een verzoek tot herziening van een arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage uit 1997, waarin de aanvrager werd veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf voor poging tot zware mishandeling.

De aanvrage tot herziening werd ingediend op grond van vermeende nieuwe feiten, waaronder een later opgevraagd proces-verbaal van een bloed- en dactyloscopisch onderzoek dat ontbrak in het dossier, een vermeende verwisseling van een proces-verbaal van aangifte, en verklaringen van verbalisanten over de aanvankelijke ontkenning van het steken door de aanvrager.

De Hoge Raad oordeelt dat het proces-verbaal van het bloed- en dactyloscopisch onderzoek reeds in het dossier aanwezig was en dat de overige omstandigheden geen ernstig vermoeden van onrechtmatigheid opleveren die tot herziening kunnen leiden. Daarom wordt het verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het verzoek tot herziening niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van nieuwe feiten die een ernstig vermoeden van onrechtmatigheid opleveren.

Uitspraak

26 september 2006
Strafkamer
nr. 00489/06 H
MR
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op een aanvrage tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 17 maart 1997, nummer 22/000004-97, ingediend door mr. J.E. Braak, advocaat te Utrecht, namens:
[aanvrager], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, domicilie kiezende te Utrecht.
1. De uitspraak waarvan herziening is gevraagd
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een vonnis van de Rechtbank te Rotterdam van 13 december 1996 - de aanvrager ter zake van "poging tot zware mishandeling" veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf.
2. De aanvrage tot herziening
De aanvrage tot herziening is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van de aanvrage
3.1. Als grondslag voor een herziening kunnen, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid, aanhef en onder 2° van art. 457 Sv Pro slechts dienen een of meer door een opgave van bewijsmiddelen gestaafde omstandigheden van feitelijke aard die bij het onderzoek op de terechtzitting niet zijn gebleken en die het ernstig vermoeden wekken dat, waren zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de veroordeelde, hetzij tot ontslag van rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie, hetzij tot toepasselijkverklaring van een minder zware strafbepaling.
3.2. Art. 459 Sv Pro schrijft voor dat de aanvrage tot herziening inhoudt de omstandigheid als hiervoor bedoeld, waarop zij steunt, en verder een opgave bevat van de bewijsmiddelen waaruit van die omstandigheid kan blijken.
3.3. Het in de aanvrage gestelde - te weten a) dat een later opgevraagd en verkregen proces-verbaal van een bloed- en dactyloscopisch onderzoek in het dossier heeft ontbroken, b) dat het proces-verbaal van aangifte waarin wordt gerelateerd dat de aangever voorafgaande aan de aangifte naar het ziekenhuis is geweest moet zijn "verwisseld" met een ander proces-verbaal aangezien de aangever zelf verklaart meteen aangifte te hebben gedaan en c) dat de verbalisanten kunnen verklaren dat "aanvankelijk" niemand heeft gezegd dat de aanvrager iemand zou hebben gestoken - behelst niets wat kan worden aangemerkt als een beroep op omstandigheden als hiervoor onder 3.1 vermeld. Immers, het onder a) bedoelde proces-verbaal bevond zich al in het dossier terwijl de onder b) en c) genoemde omstandigheden - wat daarvan zij - niet een ernstig vermoeden opleveren als zojuist bedoeld. De aanvrage kan daarom, gelet op de art. 459 en Pro 460 Sv, niet worden ontvangen.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart de aanvrage niet-ontvankelijk.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren B.C. de Savornin Lohman en J.W. Ilsink, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 26 september 2006.