ECLI:NL:HR:2006:AZ1670

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00925/06 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 552p SvArt. 445 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep cassatie tegen beschikking verlening verlof art. 552p lid 2 Sv

In deze zaak heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van een cassatieberoep ingesteld door een betrokkene tegen een beschikking van de Rechtbank Utrecht. Deze beschikking verleende verlof aan de Officier van Justitie om celmateriaal ter beschikking te stellen aan Belgische justitiële autoriteiten, conform een verzoek op grond van art. 552p lid 2 Sv.

De betrokkene stelde beroep in cassatie in, maar de Hoge Raad oordeelde dat op grond van art. 445 Sv Pro cassatie tegen dergelijke beschikkingen alleen openstaat voor het Openbaar Ministerie en de klager. Omdat de betrokkene niet tot deze categorieën behoorde en zijn raadsman het verzoek om namens familie het standpunt toe te lichten niet als klaagschrift werd aangemerkt, kon hij niet ontvankelijk worden verklaard.

De Hoge Raad nam kennis van het commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal, maar handhaafde het oordeel dat het beroep niet ontvankelijk is. De beschikking van de Rechtbank blijft daarmee in stand en het verzoek tot het verlenen van verlof blijft geldig onder de gestelde voorwaarden.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van ontvankelijkheidsgrond.

Uitspraak

19 december 2006
Strafkamer
nr. 00925/06 B
SG/CAW
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 28 december 2005, nummer RK 05/1027, tot verlening van het verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld door:
[betrokkene 1], geboren op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft aan de Officier van Justitie verlof verleend om het in de beschikking omschreven celmateriaal ter beschikking te stellen van de Belgische justitiële autoriteiten onder het voorbehoud dat bij de afgifte wordt bedongen dat van voormeld celmateriaal het (restant)celmateriaal na gebruik wordt teruggezonden, zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door [betrokkene 1]. Namens deze heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd primair dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het onderhavige beroep is gericht tegen een naar aanleiding van een Belgisch rechtshulpverzoek gegeven beschikking tot het verlenen van het verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv.
3.2. Volgens art. 445 Sv Pro staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald.
Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat voor anderen dan het openbaar ministerie en de klager, kan [betrokkene 1] in het ingestelde beroep niet worden ontvangen. De Rechtbank heeft immers kennelijk - en niet onbegrijpelijk - de brief van de raadsman van [betrokkene 1] van 31 oktober 2005, waarin hij de Rechtbank verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld om bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van verlof "namens de familie [...] (...) hun standpunt als belanghebbende" toe te lichten, niet opgevat als een klaagschrift.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [betrokkene 1] niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2006.