ECLI:NL:HR:2006:AZ2049
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- O. de Savornin Lohman
- P.C. Kop
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- E.J. Numann
- Rechtspraak.nl
Beoordeling voorwaardelijke machtiging op grond van de Wet Bopz en instemming betrokkene
In deze zaak heeft de rechtbank Utrecht een voorwaardelijke machtiging verleend aan betrokkene voor voortgezet verblijf in een psychiatrisch ziekenhuis. Betrokkene stemde in met het behandelplan en verklaarde bereid te zijn de voorwaarden na te leven, maar gaf aan geen rechterlijke machtiging te willen. De rechtbank oordeelde dat instemming met het behandelplan en bereidverklaring voldoende zijn voor het verlenen van de machtiging.
Betrokkene stelde in cassatie dat instemming ontbrak omdat zij expliciet geen rechterlijke machtiging wilde. De Hoge Raad overwoog dat de wettelijke maatstaf van art. 14a Wet Bopz geldt en dat instemming met het behandelplan en bereidverklaring voldoende zijn; instemming met de machtiging zelf is niet vereist. De Hoge Raad verwierp het beroep en bevestigde dat de rechtbank de juiste maatstaf hanteerde en haar oordeel voldoende motiveerde.
De uitspraak benadrukt dat de gevolgen van het niet naleven van de voorwaarden niet door betrokkene hoeven te worden aanvaard, omdat de opname dan op grond van een besluit van de geneesheer-directeur kan plaatsvinden. De Hoge Raad wijst ook vooruitlopen op wetswijzigingen af en bevestigt dat de huidige wettelijke maatstaf leidend is.
Uitkomst: De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde de voorwaardelijke machtiging op grond van art. 14a Wet Bopz.