ECLI:NL:HR:2006:AZ3357

Hoge Raad

Datum uitspraak
1 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
40731
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • D.G. van Vliet
  • J.W. van den Berge
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 11 Wet IB’64
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over wijziging verdeling investeringsaftrek na onherroepelijke aanslag in man-vrouwfirma

Belanghebbende exploiteert samen met haar echtgenoot een vennootschap onder firma sinds 1 januari 1999. Voor het jaar 2000 werd aan belanghebbende een aanslag inkomstenbelasting opgelegd met een indeling in tariefgroep 2. Belanghebbende verzocht om overheveling van de basisaftrek van haar echtgenoot om in tariefgroep 3 te worden ingedeeld, maar de Inspecteur wees dit af omdat het inkomen van de echtgenoot boven de basisaftrek lag.

Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende gegrond en paste de winstverdeling aan, waardoor belanghebbende in tariefgroep 3 werd ingedeeld met een belastbaar inkomen van ƒ 37.008. De echtgenoot wilde het volledige bedrag van de investeringsaftrek voor eigen rekening nemen, maar de Hoge Raad oordeelde dat een wijziging van de verdeling van de investeringsaftrek niet mogelijk is nadat de aanslag van een van de firmanten onherroepelijk is geworden.

Omdat de aanslag van de echtgenoot ten tijde van de verklaring van het hof onherroepelijk vaststond, kon de wijziging van de investeringsaftrek niet meer plaatsvinden. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest van het hof en verwees de zaak terug voor verdere behandeling van het niet-behandelde geschilpunt omtrent de winstverdeling. Er werden geen proceskosten aan belanghebbende toegekend.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor verdere behandeling.

Uitspraak

Nr. 40.731
1 december 2006
whk
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 9 maart 2004, nr. BK-02/03710, betreffende na te melden aan X te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2000 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen van ƒ 33.040 en een belastingvrije som van ƒ 8950 (tariefgroep 2), welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak waarvan beroep vernietigd en de aanslag verminderd tot een naar een belastbaar inkomen van ƒ 37.008 met indeling in tariefgroep 3. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende oefent sedert 1 januari 1999 in de vorm van een vennootschap onder firma met haar echtgenoot de praktijk uit van een incasso- en juridisch adviesbureau.
3.1.2. In de vennootschapsakte is bepaald dat de verdeling van de jaarwinst in onderling overleg zal geschieden.
3.1.3. Belanghebbende heeft bij haar aangifte verzocht te worden ingedeeld in tariefgroep 3 op grond van overheveling van de basisaftrek van de echtgenoot aan belanghebbende. Bij het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 2, omdat het inkomen van de echtgenoot in het onderhavige jaar uitging boven het bedrag van de basisaftrek (jaar 2000: ƒ 8523) zodat overheveling van de basisaftrek niet mogelijk was. In bezwaar heeft belanghebbende opnieuw indeling bepleit in tariefgroep 3. Daartoe voerde belanghebbende aan dat belanghebbende en haar echtgenoot de verdeling van de winst over 2000 hadden aangepast en aan de echtgenoot een lager bedrag aan winst hadden toegedeeld. De Inspecteur heeft de indeling van belanghebbende in tariefgroep 3 opnieuw afgewezen.
3.2. Ter zitting van het Hof hebben belanghebbende en haar echtgenoot verklaard dat laatstgenoemde het volledige bedrag van de investeringsaftrek voor eigen rekening wenst te nemen onder handhaving van de oorspronkelijke winstverdeling. Het Hof heeft dit nader door belanghebbende ingenomen standpunt gevolgd en op die grond het belastbare inkomen van belanghebbende nader vastgesteld op ƒ 37.008 en belanghebbende ingedeeld in tariefgroep 3.
3.3. Een wijziging van de verdeling van de investeringsaftrek tussen twee firmanten is niet meer mogelijk als de aanslag van een van de firmanten over het desbetreffende jaar onherroepelijk vaststaat (vgl. Kamerstukken II 1989/90, 21 343, nr. 3, blz. 7).
3.4. In het onderhavige geval stond kennelijk ten tijde van de hiervoor in 3.2 vermelde verklaring de aanslag van de echtgenoot van belanghebbende onherroepelijk vast, zodat wijziging van de verdeling van de investeringsaftrek niet meer mogelijk was. Voorzover het middel een hierop gerichte klacht bevat, wordt het terecht voorgesteld.
3.5. 's Hofs uitspraak kan niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen voor behandeling van het door het Hof niet behandelde geschilpunt inzake de hiervoor in 3.1.3 bedoelde wijziging van de winstverdeling. Het middel behoeft verder geen behandeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep gegrond,
vernietigt de uitspraak van het Hof, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht, en
verwijst het geding naar het Gerechtshof te Amsterdam ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest.
Dit arrest is gewezen door de vice-president D.G. van Vliet als voorzitter, de vice-president J.W. van den Berge, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 1 december 2006.