ECLI:NL:HR:2006:AZ4635
Hoge Raad
- Herziening
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- A.J.A. van Dorst
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid herzieningsaanvraag wegens ontbreken bewijsmiddelenopgave
De zaak betreft een herzieningsaanvraag tegen een vonnis van de Politierechter te Arnhem, waarbij de aanvraagster was veroordeeld tot drie weken gevangenisstraf wegens diefstal door twee of meer verenigde personen.
De Hoge Raad beoordeelde de aanvraag aan de hand van artikel 459 van Pro het Wetboek van Strafvordering, dat voorschrijft dat een herzieningsaanvraag een opgave moet bevatten van de bewijsmiddelen waaruit de omstandigheid blijkt waarop de aanvraag steunt. Deze omstandigheid moet voldoen aan de criteria van artikel 457 lid 1 sub Pro 2° Sv, namelijk dat het gaat om feiten die bij het oorspronkelijke onderzoek niet bekend waren en die het ernstig vermoeden wekken dat het onderzoek tot vrijspraak, ontslag van rechtsvervolging, niet-ontvankelijkheid of een lichtere straf zou hebben geleid.
In deze zaak ontbrak een dergelijke opgave van bewijsmiddelen in de aanvraag, waardoor de Hoge Raad de aanvraag niet-ontvankelijk verklaarde. Dit betekent dat de procedure voor herziening niet inhoudelijk werd behandeld en de oorspronkelijke veroordeling bleef staan.
Het arrest werd gewezen door de vice-president Koster als voorzitter, met de raadsheren Balkema en Van Dorst, en uitgesproken op 19 december 2006.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de herzieningsaanvraag niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een opgave van bewijsmiddelen.