ECLI:NL:HR:2006:AZ4640

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 december 2006
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00916/06 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 445 SvArt. 552p Sv
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid beroep cassatie tegen beschikking verlening verlof art. 552p Sv

In deze zaak heeft betrokkene cassatieberoep ingesteld tegen een beschikking van de Rechtbank Utrecht waarin verlof werd verleend aan het Openbaar Ministerie om celmateriaal ter beschikking te stellen aan Belgische justitiële autoriteiten. Dit verlof is verleend op grond van artikel 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

De Hoge Raad heeft beoordeeld of betrokkene ontvankelijk is in het cassatieberoep. Volgens artikel 445 Sv Pro is cassatie tegen beschikkingen slechts open voor de partijen die dat wetboek uitdrukkelijk noemt, namelijk het Openbaar Ministerie en de klager. Omdat betrokkene niet tot deze categorie behoort en zijn verzoekschrift niet als klaagschrift is aangemerkt, is hij niet ontvankelijk in het beroep.

De rechtbank had de brief van de raadsman van betrokkene, waarin hij verzocht namens familie hun standpunt toe te lichten, niet opgevat als een klaagschrift. De Hoge Raad bevestigt dat dit niet onbegrijpelijk is en verklaart het beroep niet-ontvankelijk. De beschikking tot verlening van verlof blijft daarmee in stand.

De uitspraak is gedaan door de president en vier raadsheren in raadkamer en uitgesproken in openbare terechtzitting op 19 december 2006.

Uitkomst: Het cassatieberoep van betrokkene is niet-ontvankelijk verklaard wegens gebrek aan wettelijke ontvankelijkheid.

Uitspraak

19 december 2006
Strafkamer
nr. 00916/06 B
SG/CAW
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Utrecht van 28 december 2005, nummer RK 05/1027, tot verlening van het verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, ingesteld door:
[betrokkene 2], geboren op [geboortedatum] 1956, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft aan de Officier van Justitie verlof verleend om het in de beschikking omschreven celmateriaal ter beschikking te stellen van de Belgische justitiële autoriteiten onder het voorbehoud dat bij de afgifte wordt bedongen dat van voormeld celmateriaal het (restant)celmateriaal na gebruik wordt teruggezonden, zodra daarvan het voor de strafvordering nodige gebruik is gemaakt.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door [betrokkene 2]. Namens deze heeft mr. A.H.J.G. van Voorthuizen, advocaat te Ede, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld.
De Advocaat-Generaal Machielse heeft geconcludeerd primair dat de Hoge Raad het beroep niet-ontvankelijk zal verklaren en subsidiair het beroep zal verwerpen.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de
Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
3.1. Het onderhavige beroep is gericht tegen een naar aanleiding van een Belgisch rechtshulpverzoek gegeven beschikking tot het verlenen van het verlof als bedoeld in art. 552p, tweede lid, Sv.
3.2. Volgens art. 445 Sv Pro staat tegen beschikkingen beroep in cassatie alleen open in de gevallen in dat wetboek bepaald.
Nu in dat wetboek geen bepaling voorkomt volgens welke tegen een beschikking als de onderhavige beroep in cassatie openstaat voor anderen dan het openbaar ministerie en de klager, kan [betrokkene 2] in het ingestelde beroep niet worden ontvangen. De Rechtbank heeft immers kennelijk - en niet onbegrijpelijk - de brief van de raadsman van [betrokkene 2] van 31 oktober 2005, waarin hij de Rechtbank verzoekt in de gelegenheid te worden gesteld om bij de behandeling van het verzoek tot het verlenen van verlof "namens de familie [...] hun standpunt (...) als belanghebbende" toe te lichten, niet opgevat als een klaagschrift.
4. Beslissing
De Hoge Raad verklaart [betrokkene 2] niet-ontvankelijk in het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de president W.J.M. Davids als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst, B.C. de Savornin Lohman, W.A.M. van Schendel en H.A.G. Splinter-van Kan in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 december 2006.