ECLI:NL:HR:2007:AU3989
Hoge Raad
- Cassatie
- F.W.G.M. van Brunschot
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Geen rekening houden met toekomstige waardestijging bij bepaling restwaarde vastgoed
Belanghebbende, een onderneming die zich bezighoudt met beleggen in onroerende zaken, kreeg voor het jaar 1994 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd door de Inspecteur, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde de aanslag vast op nihil, met een vastgesteld verlies.
De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in. De kern van het geschil betrof de vraag of bij de bepaling van de restwaarde van het vastgoed rekening gehouden moet worden met een jaarlijkse waardestijging van de grond van 2 procent. Het Hof had geoordeeld dat de Inspecteur onvoldoende had onderbouwd dat een dergelijke waardestijging meegenomen moest worden.
De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat goed koopmansgebruik niet vereist dat bij de restwaardebepaling rekening wordt gehouden met toekomstige, nog niet zekere waardestijgingen. Het vooruitlopen op dergelijke waardestijgingen zou leiden tot een onjuiste verhoging van de jaarwinst door een lagere afschrijving. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.
Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen rekening gehouden hoeft te worden met toekomstige waardestijgingen bij de restwaardebepaling.