ECLI:NL:HR:2007:AU3989

Hoge Raad

Datum uitspraak
10 augustus 2007
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
39548
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.W.G.M. van Brunschot
  • P.J. van Amersfoort
  • C.B. Bavinck
  • A.R. Leemreis
  • J.W.M. Tijnagel
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet IB 1964
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geen rekening houden met toekomstige waardestijging bij bepaling restwaarde vastgoed

Belanghebbende, een onderneming die zich bezighoudt met beleggen in onroerende zaken, kreeg voor het jaar 1994 een aanslag vennootschapsbelasting opgelegd. Na bezwaar werd deze aanslag verminderd door de Inspecteur, waarna belanghebbende in beroep ging bij het Hof. Het Hof vernietigde de uitspraak van de Inspecteur en stelde de aanslag vast op nihil, met een vastgesteld verlies.

De Staatssecretaris van Financiën stelde hiertegen beroep in cassatie in. De kern van het geschil betrof de vraag of bij de bepaling van de restwaarde van het vastgoed rekening gehouden moet worden met een jaarlijkse waardestijging van de grond van 2 procent. Het Hof had geoordeeld dat de Inspecteur onvoldoende had onderbouwd dat een dergelijke waardestijging meegenomen moest worden.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en stelde dat goed koopmansgebruik niet vereist dat bij de restwaardebepaling rekening wordt gehouden met toekomstige, nog niet zekere waardestijgingen. Het vooruitlopen op dergelijke waardestijgingen zou leiden tot een onjuiste verhoging van de jaarwinst door een lagere afschrijving. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en veroordeelde de Staatssecretaris in de proceskosten.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en het oordeel van het Hof bevestigd dat geen rekening gehouden hoeft te worden met toekomstige waardestijgingen bij de restwaardebepaling.

Uitspraak

Nr. 39.548
10 augustus 2007
gewezen op het beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 20 maart 2003, nr. 99/01224, betreffende na te melden aan X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1994 een aanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is verminderd tot een aanslag naar een belastbaar bedrag van ƒ 76.136.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag verminderd tot nihil met gelijktijdige vaststelling van het verlies op ƒ 97.828. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
De Staatssecretaris heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal P.J. Wattel heeft op 26 juli 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.
3. Beoordeling van het middel
3.1. Belanghebbende houdt zich bezig met het beleggen in onroerende zaken. In het jaar 1994 was belanghebbende eigenaar van diverse onroerende zaken.
3.2. Het geschil betreft de afschrijving op de onroerende zaken. In cassatie is nog aan de orde de vraag of bij de bepaling van de restwaarde rekening moet worden gehouden met een jaarlijkse waardestijging van de grond van 2 percent.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de stelling van de Inspecteur dat op basis van ervaringscijfers rekening moet worden gehouden met een waardeontwikkeling van de grond van gemiddeld 2 percent per jaar, onvoldoende is onderbouwd, te weinig is gespecificeerd en te algemeen van aard is, nog daargelaten dat op basis van de waardeontwikkeling in een afgelopen periode niet automatisch ook uitspraken gedaan kunnen worden over de waardeontwikkeling in een nog komende, en nu het onroerende zaken betreft ook relatief lange, periode. Op grond daarvan heeft het Hof belanghebbende in het gelijk gesteld. Het middel richt zich tegen laatstvermeld oordeel.
3.4. De restwaarde van een bedrijfsmiddel moet schattenderwijs worden bepaald op de waarde die dat bedrijfsmiddel bij de beëindiging van het gebruik door de belastingplichtige in elk geval zal hebben.
Goed koopmansgebruik vereist niet dat bij de bepaling van de restwaarde rekening wordt gehouden met - bijvoorbeeld ten gevolge van te verwachten inflatie - wellicht waarschijnlijke, maar nog niet zekere toekomstige waardestijgingen van het bedrijfsmiddel. Indien met die mogelijke toekomstige waardestijgingen rekening zou worden gehouden, zou de jaarwinst - door middel van een lagere afschrijving - worden verhoogd ten gevolge van nog niet plaatsgevonden hebbende waardestijgingen. Goed koopmansgebruik verplicht niet tot een dergelijk vooruitlopen op toekomstige waardestijgingen. Hierop stuit het middel af.
4. Proceskosten
De Staatssecretaris van Financiën zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie.
5. Beslissing
De Hoge Raad:
verklaart het beroep ongegrond, en
veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van het geding in cassatie aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 644 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en wijst de Staat aan als de rechtspersoon die deze kosten moet vergoeden.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer F.W.G.M. van Brunschot als voorzitter, en de raadsheren P.J. van Amersfoort, C.B. Bavinck, A.R. Leemreis en J.W.M. Tijnagel in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 10 augustus 2007.
Van de Staat wordt ter zake van het door de Staatssecretaris van Financiën ingestelde beroep in cassatie een griffierecht geheven van € 428.