ECLI:NL:HR:2007:AU6474

Hoge Raad

Datum uitspraak
2 maart 2007
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
41617
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5.3 Wet IB 2001
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt dat spontane storting geen rendementsgrondslag vormt voor belastingjaar 2001

Belanghebbende kreeg voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €702.606. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag ambtshalve verminderde tot €692.046 en het beroep gegrond verklaarde.

De kern van het geschil betrof de vraag of een storting van €450.000 op een rekening van de Belastingdienst eind 2001, voorafgaand aan de aanslag, moest worden gerekend tot de rendementsgrondslag volgens artikel 5.3 Wet IB 2001. Het Hof oordeelde bevestigend, maar belanghebbende stelde cassatieberoep in.

De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met artikel 5.3 lid 3 Wet IB 2001 beoogde administratieve lasten te beperken en complexe herberekeningen te voorkomen. Een spontane storting vóór formele aanslag wordt gelijkgesteld aan een depotstorting en hoort niet tot de rendementsgrondslag. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof.

Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd op 2 maart 2007 in het openbaar uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van L. Monné.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de spontane storting niet tot de rendementsgrondslag behoort.

Uitspraak

Nr. 41.617
2 maart 2007
RS
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 11 november 2004, nr. P03/03126, betreffende na te melden aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2001 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd naar (onder meer) een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 702.606, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen de uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij het Hof.
Bij ambtshalve gegeven beschikking is nadien de aanslag verminderd in die zin dat het belastbare inkomen uit sparen en beleggen is verminderd tot € 692.046.
Het Hof heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak van de Inspecteur vernietigd en de aanslag gehandhaafd zoals deze na de ambtshalve verleende vermindering is komen te luiden. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal C.W.M. van Ballegooijen heeft op 29 september 2005 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van het middel
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. Na een daartoe gedaan verzoek op 13 november 2001 is aan belanghebbende op 24 januari 2002 een voorlopige aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen voor het jaar 2001 opgelegd ten bedrage van ƒ 353.374. Op 24 december 2001 heeft belanghebbende op een rekening van de Belastingdienst een bedrag van ƒ 450.000 gestort onder vermelding van "Schatting IB schuld 2001 (...)".
3.2. Voor het Hof was in geschil of het bedrag van ƒ 450.000 aan het einde van het kalenderjaar 2001 tot de bezittingen moet worden gerekend in de zin van artikel 5.3 Wet IB 2001. Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. Daartegen richt zich het middel.
3.3. Uit de parlementaire geschiedenis behorende bij de Wet IB 2001 volgt dat artikel 5.3, lid 3, letter a, Wet IB 2001, is opgenomen omdat (i) het in belangrijke mate de administratieve lasten en uitvoeringslasten voor zowel de burgers als de belastingdienst beperkt, (ii) het ingewikkelde herberekeningen van oude belastingschulden voorkomt en risico's van procedures beperkt, en (iii) zonder een dergelijke maatregel het bepalen van de omvang van de rendementsgrondslag onnodig complex zou worden.
In de bepaling ligt, mede gelet op de hiervoor weergegeven ratio daarvan, besloten dat een 'spontane' storting ter zake van een materiële, doch nog niet formeel (bij belastingaanslag) vastgestelde, fiscale verplichting voor de berekening van de rendementsgrondslag op één lijn moet worden gesteld met een depotstorting waarvan het beloop behoort tot de bezittingen als bedoeld in artikel 5.3 Wet IB 2001; immers nu voor die berekening de materiële belastingschuld buiten aanmerking blijft, kan de storting niet worden geacht te strekken tot delging daarvan.
3.4. 's Hofs oordeel is derhalve juist, wat er zij van de daartoe gebezigde motivering. Het middel faalt dus.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer L. Monné als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2007.