ECLI:NL:HR:2007:AU6474
Hoge Raad
- Cassatie
- L. Monné
- C.J.J. van Maanen
- C.A. Streefkerk
- C. Schaap
- J.W.M. Tijnagel
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt dat spontane storting geen rendementsgrondslag vormt voor belastingjaar 2001
Belanghebbende kreeg voor het jaar 2001 een aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd met een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van €702.606. Na bezwaar handhaafde de Inspecteur deze aanslag. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat de aanslag ambtshalve verminderde tot €692.046 en het beroep gegrond verklaarde.
De kern van het geschil betrof de vraag of een storting van €450.000 op een rekening van de Belastingdienst eind 2001, voorafgaand aan de aanslag, moest worden gerekend tot de rendementsgrondslag volgens artikel 5.3 Wet IB 2001. Het Hof oordeelde bevestigend, maar belanghebbende stelde cassatieberoep in.
De Hoge Raad overwoog dat de wetgever met artikel 5.3 lid 3 Wet IB 2001 beoogde administratieve lasten te beperken en complexe herberekeningen te voorkomen. Een spontane storting vóór formele aanslag wordt gelijkgesteld aan een depotstorting en hoort niet tot de rendementsgrondslag. De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het oordeel van het Hof.
Er werden geen proceskosten aan belanghebbende opgelegd. Het arrest werd op 2 maart 2007 in het openbaar uitgesproken door vijf raadsheren onder voorzitterschap van L. Monné.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de spontane storting niet tot de rendementsgrondslag behoort.