ECLI:NL:HR:2007:AX0678

Hoge Raad

Datum uitspraak
9 februari 2007
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
40643
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 219 lid 2 GemeentewetArt. 220f lid 1 GemeentewetArt. 223 GemeentewetArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van progressief tarief in forensenbelasting gemeente Apeldoorn

Belanghebbende was in 2002 belastingplichtig voor de forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn en ontving een aanslag van €950 op basis van een progressief tarief. Na bezwaar en beroep bij het Hof, dat het beroep ongegrond verklaarde, stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De kern van het geschil betrof de vraag of het progressieve tarief in de Verordening forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn verbindend was en in overeenstemming met de Gemeentewet en verdragsbepalingen. Het Hof oordeelde dat de Verordening niet in strijd was met wettelijke bepalingen en dat de gemeenteraad binnen zijn beleidsvrijheid was gebleven.

De Hoge Raad bevestigde dit oordeel en verwierp alle middelen van belanghebbende. Er is geen voorschrift dat het tarief moet corresponderen met het profijt van gemeentelijke voorzieningen, noch is er een grond om het progressieve karakter van het tarief onrechtmatig te achten. Ook de samenhang met het vervallen van de toeristenbelasting is niet onrechtmatig.

De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en legde geen proceskostenveroordeling op.

Uitkomst: Het beroep in cassatie van belanghebbende wordt ongegrond verklaard en de aanslag forensenbelasting blijft gehandhaafd.

Uitspraak

Nr. 40.643
9 februari 2007
HdJ
gewezen op het beroep in cassatie van X te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 10 maart 2004, nr. 03/00246, betreffende na te melden aanslag in de forensenbelasting.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 2002 met betrekking tot de onroerende zaak a-straat 1 te Q een aanslag in de forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn opgelegd ten bedrage van € 950, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van het hoofd van de afdeling Financiën en Belastingen van de gemeente Apeldoorn is gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 23 maart 2006 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende was in het jaar 2002 belastingplichtig voor de forensenbelasting van de gemeente Apeldoorn.
3.1.2. Van belanghebbende is in het onderhavige jaar op grond van de verordening forensenbelasting 2002 van de gemeente Apeldoorn (hierna: de Verordening) forensenbelasting geheven naar het tarief van artikel 5 van Pro de Verordening, welk artikel als volgt luidt:
"Belastingtarief
De belasting bedraagt bij een waarde van:
- minder dan € 45.000,-€ 65,--
- € 45.000,- of meer, doch minder dan € 90.000, -€ 380,--
- € 90.000,- of meer, doch minder dan € 135.000, -€ 950,--
- € 135.000,-- of meer, doch minder dan € 225.000, -€ 1.690,--
- € 225.000,-- of meer € 3.480,--".
3.2. Voor het Hof was, voorzover in cassatie van belang, in geschil of de tariefbepaling in de Verordening verbindend is.
3.3. Het Hof heeft geoordeeld dat de Verordening niet in strijd is met de bepalingen van de Gemeentewet of met de door belanghebbende genoemde verdragsbepalingen. De zeven door belanghebbende voorgestelde middelen zijn tegen dit oordeel gericht.
3.4. Middel 2 faalt omdat artikel 223 van Pro de Gemeentewet niet een voorschrift bevat als voor de onroerendezaakbelastingen is neergelegd in artikel 220f, lid 1, van die wet en er geen grond bestaat om dat voorschrift niettemin toe te passen op de forensenbelasting.
3.5. Middel 3 faalt omdat artikel 223 van Pro de Gemeentewet niet voorschrijft dat verband moet bestaan tussen enerzijds (de mate van) het profijt dat de belastingplichtige van gemeentelijke voorzieningen trekt, en anderzijds het beloop van de door hem verschuldigde forensenbelasting.
3.6. Middel 4 faalt omdat uit de ontstaansgeschiedenis van de Verordening niet kan worden afgeleid dat bij de gemeenteraad draagkrachtmotieven als bedoeld in artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet hebben voorgezeten toen de tariefbepaling van de Verordening werd vastgesteld. Daaraan doet de in de toelichting op het middel geciteerde uitlating van een individueel gemeenteraadslid niet af.
3.7. De middelen 5 en 7 falen omdat noch de mate waarin het onderhavige tarief progressief is, noch de omstandigheid dat de tariefopbouw van de onderhavige belasting blijkens de desbetreffende gemeenteraadsstukken rechtstreeks samenhing met het voornemen om de toeristenbelasting te laten vervallen, noopt tot het oordeel dat hier een regeling is getroffen die in strijd is met enig algemeen rechtsbeginsel, dan wel tot het oordeel dat de gemeenteraad bij de vaststelling van dat tarief getreden is buiten de grenzen van de vrijheid die de artikelen 219, lid 2, en 223 van de Gemeentewet hem bieden.
3.8. Ook voor het overige falen de middelen. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu de middelen in zoverre niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of rechtsontwikkeling.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren C.J.J. van Maanen, C.A. Streefkerk, C. Schaap en J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 9 februari 2007.