ECLI:NL:HR:2007:AZ0394
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over baatbelasting en het begrip voorziening bij herinrichting binnenstad Leeuwarden
In deze zaak staat de toepassing van de baatbelasting centraal, met name de vraag of de herinrichting van de binnenstad van Leeuwarden kan worden aangemerkt als een voorziening in de zin van artikel 222, lid 1, van de Gemeentewet. De gemeente had een verordening vastgesteld voor de heffing van baatbelasting vanwege de herinrichting, waaronder sierbestrating en straatmeubilair.
Belanghebbende ontving een aanslag baatbelasting voor zijn onroerende zaak, waartegen hij beroep in cassatie instelde. De Hoge Raad had eerder het cassatieberoep gegrond verklaard en verwees de zaak terug naar het Hof Amsterdam. Het Hof oordeelde dat de herinrichting geen wezenlijke verandering van het geheel van voorzieningen betekende en onderzocht vervolgens of delen van de herinrichting, zoals prullenbakken en sierbestrating, als voorzieningen konden worden aangemerkt.
De conclusie van de procureur-generaal stelt dat het Hof onterecht heeft onderzocht of onderdelen van de herinrichting als voorziening konden worden beschouwd, aangezien het oordeel dat de herinrichting niet wezenlijk is veranderd betekent dat er geen voorziening is in de zin van de baatbelasting. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en vernietigt de aanslag baatbelasting. De uitspraak wordt niet gepubliceerd.
Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt dat de herinrichting geen voorziening is in de zin van de baatbelasting.