ECLI:NL:HR:2007:AZ0456
Hoge Raad
- Cassatie
- Rechtspraak.nl
Beoordeling baatbelasting en het begrip voorziening bij gemeentelijke herinrichting
In deze zaak staat de toepassing van de baatbelasting centraal, met name de vraag wat onder 'voorziening' en 'baat' moet worden verstaan. De gemeente had aan belanghebbende een baatbelasting opgelegd wegens herinrichting van het Kloosterwandplein en omgeving. Het geschil betrof of de onroerende zaak van belanghebbende daadwerkelijk baat had gehad bij de getroffen voorzieningen.
Het Hof had geoordeeld dat het geheel van de voorzieningen niet tot een meer dan verwaarloosbare verbetering van de positie van de onroerende zaak had geleid. De Hoge Raad bevestigt dat de beoordeling van baat moet plaatsvinden op basis van het totaal van de voorzieningen en niet per afzonderlijke voorziening. Tevens oordeelt de Hoge Raad dat het oordeel van het Hof geen onjuiste rechtsopvatting bevat en voldoende gemotiveerd is.
Daarnaast werd een incidenteel cassatieberoep behandeld waarin belanghebbende stelde dat de baatbelasting niet beperkt mocht worden tot eigenaren binnen de binnensteden. De Hoge Raad wijst dit beroep af, stellende dat de wettelijke regeling de belasting beperkt tot gebate onroerende zaken en dat het Hof terecht aan deze stelling voorbijging omdat de onroerende zaak niet gebaat was.
De Hoge Raad verklaart het beroep en het incidentele beroep ongegrond en beslist dat de uitspraak niet wordt gepubliceerd.
Uitkomst: Het cassatieberoep en het incidentele beroep worden ongegrond verklaard, waarmee het oordeel van het Hof dat de onroerende zaak niet baat heeft gehad wordt bevestigd.