ECLI:NL:HR:2007:AZ1656

Hoge Raad

Datum uitspraak
20 februari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00176/06 B
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • G.J.M. Corstens
  • J.P. Balkema
  • B.C. de Savornin Lohman
  • W.M.E. Thomassen
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 116 SvArt. 552a SvArt. 552d Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtskarakter en ontvankelijkheid bij beklag teruggave inbeslaggenomen hond

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam die het beklag van de beslagene tegen de teruggave van een inbeslaggenomen hond aan een derde gegrond verklaarde. De hond was door de Officier van Justitie zonder toepassing van artikel 116, derde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) teruggegeven aan een derde, waarna de beslagene beklag indiende.

De Hoge Raad stelt vast dat het beklag van de beslagene het rechtskarakter heeft van een beklag tegen het voornemen van de OvJ om het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander dan de beslagene terug te geven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden. De derde aan wie de hond was teruggegeven wordt geacht mededeling te hebben ontvangen van het voornemen tot teruggave en is daarom ontvankelijk in het cassatieberoep.

De rechtbank heeft de juiste maatstaf toegepast door te toetsen of de teruggave aan de beslagene moet plaatsvinden, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende moet worden beschouwd. Omdat in deze procedure niet kon worden vastgesteld wie rechthebbende was, en het belang van strafvordering zich niet meer tegen teruggave verzette, werd de hond aan de beslagene teruggegeven.

De Hoge Raad oordeelt dat de klachten tegen de beschikking geen cassatiegrond opleveren en verwerpt het beroep. De beslissing laat de rechten van partijen ten aanzien van de hond onverlet.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de teruggave van de hond aan de beslagene.

Uitspraak

20 februari 2007
Strafkamer
nr. 00176/06 B
JB/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Beschikking
op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de Rechtbank te Amsterdam van 20 december 2005, nummer RK 05/3191, op een beklag als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door:
[verzoekster], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1927, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden beschikking
De Rechtbank heeft gegrond verklaard het door [klaagster] ingediende beklag strekkende tot teruggave aan hem van de in bovenstaande beschikking omschreven hond.
2. Geding in cassatie
2.1. Het beroep is ingesteld door [verzoekster].
Namens deze heeft mr. J.E. Hoetink, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
De schriftuur is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Wortel heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van het beroep.
2.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsman op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
3. Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep
Het beroep is gericht tegen een beschikking die is gegeven op een klaagschrift van de beslagene, [klaagster], dat strekte tot teruggave aan haar van de onder haar inbeslaggenomen hond. Na de inbeslagname is die hond door de Officier van Justitie zonder art. 116, derde lid, Sv te hebben toegepast, teruggegeven aan [verzoekster]. Onder deze omstandigheden moet het ervoor worden gehouden dat het beklag van [klaagster] het rechtskarakter heeft van een beklag omtrent het voornemen van de Officier van Justitie om in afwijking van de hoofdregel van art. 116 Sv Pro het inbeslaggenomen voorwerp aan een ander ([verzoekster]) dan de beslagene ([klaagster]) te doen teruggeven, alsof deze teruggave nog niet had plaatsgevonden (vgl. HR 30 januari 1996, NJ 1996, 526).
Bij de bestreden beschikking is het klaagschrift van [klaagster] gegrond verklaard en de teruggave van de hond aan haar gelast. [Verzoekster] moet worden beschouwd als degene aan wie door de Officier van Justitie mededeling is gedaan van zijn voornemen tot teruggave aan haar van het onder een ander inbeslaggenomen voorwerp en zij kan daarom in haar cassatieberoep worden ontvangen (vgl. HR 3 december 1996, NJ 1997, 387).
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het middel behelst in de eerste plaats de klacht dat aan [verzoekster] in strijd met art. 552a, vijfde lid, Sv niet is meegedeeld dat zij zelfstandig een klaagschrift kon indienen. Het middel komt in de tweede plaats met rechts- en motiveringsklachten op tegen het oordeel van de Rechtbank dat redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is dat de hond wordt teruggegeven aan de beslagene.
4.2. De Hoge Raad verstaat de eerste klacht aldus dat deze er toe strekt te voorkomen dat [verzoekster] op grond van art. 552d, tweede lid, Sv in haar beroep niet zou kunnen worden ontvangen. Aldus beschouwd mist de klacht, gelet op hetgeen hiervoor onder 3 is overwogen, belang zodat deze geen bespreking behoeft.
4.3.1. De Rechtbank heeft in haar beschikking, voor zover hier van belang, overwogen:
"De hoofdregel voor teruggave (artikel 116, eerste lid Sv) is dat het voorwerp wordt teruggegeven aan degene onder wie het in beslag is genomen. Nu er sprake is van meer dan een belanghebbende, dient de rechtbank te onderzoeken of het op het eerste gezicht redelijk en maatschappelijk niet onverantwoord is om van de hoofdregel af te wijken. Dit is op het eerste gezicht niet het geval. De lezingen van klaagster en [verzoekster] staan lijnrecht tegenover elkaar, geen van beiden kan haar lezing afdoende onderbouwen. Vast staat dat Diego als pup is geboren ten huize van klaagster. Er is onder deze omstandigheden geen reden om af te wijken van de hoofdregel. De hond dient derhalve te worden teruggegeven aan klaagster. Het beklag dient dan ook gegrond te worden verklaard."
4.3.2. In deze overweging ligt besloten dat de Rechtbank heeft getoetst aan de hier aan te leggen maatstaf, te weten dat als de strafvordering niet het voortduren van het beslag vordert de teruggave van het inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene moet worden gelast, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd (vgl. HR 25 september 2001, NJ 2002, 109). Aldus verstaan heeft de Rechtbank de juiste maatstaf aangelegd. De Rechtbank heeft in de hiervoor weergegeven overwegingen voorts tot uitdrukking gebracht dat in het kader van de onderhavige procedure niet kan worden vastgesteld wie redelijkerwijs als rechthebbende van de hond moet worden aangemerkt, zodat de hond - nu het belang van strafvordering zich niet meer verzet tegen teruggave - aan de beslagene moet worden teruggegeven. Dit oordeel van de Rechtbank is niet onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Opmerking verdient dat deze beslissing ieders rechten ten aanzien van de hond onverlet laat. De tweede klacht faalt.
5. Slotsom
Nu het middel niet tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden beschikking ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
6. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Deze beschikking is gegeven door de vice-president G.J.M. Corstens als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, B.C. de Savornin Lohman, W.M.E. Thomassen en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, in raadkamer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 februari 2007.