ECLI:NL:HR:2007:AZ1702
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- W.A.M. van Schendel
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad verduidelijkt criteria voor oproeping getuigen in hoger beroep na wetswijziging
In deze zaak heeft de Hoge Raad op 19 juni 2007 arrest gewezen over de toepassing van de Wet van 10 november 2004, die wijzigingen bracht in het Wetboek van Strafvordering omtrent het horen van getuigen en deskundigen in hoger beroep.
De Hoge Raad bespreekt drie hoofdpunten: het onderscheid tussen de criteria "niet noodzakelijk" en "redelijkerwijs (niet) noodzakelijk"; de opgave van getuigen en deskundigen bij de appelschriftuur; en de eisen die aan de appelschriftuur worden gesteld. De Raad concludeert dat de term "redelijkerwijs (niet) noodzakelijk" geen andere maatstaf inhoudt dan het klassieke noodzakelijkheidscriterium zoals bedoeld in de artikelen 315 en 328 Sv.
In het concrete geval werd het verzoek van de verdediging tot het oproepen van zes getuigen geweigerd door de advocaat-generaal en het hof. De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het criterium van art. 418 Sv Pro hanteerde en dat de gebruikte terminologie geen afwijking van de maatstaf betekent.
Het beroep in cassatie wordt verworpen, waarmee de beslissing van het hof standhoudt.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het oordeel van het hof dat de oproeping van getuigen niet noodzakelijk was.