ECLI:NL:HR:2007:AZ1715

Hoge Raad

Datum uitspraak
19 oktober 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
41938
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 Successiewet 1956Art. 26 Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke RechtenArt. 14 Europees Verdrag voor de Rechten van de MensArt. 1 Eerste Protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt redelijke tariefindeling successierecht voor neven en nichten

Belanghebbende, een nicht van de erflater, kreeg in 2001 een aanslag successierecht opgelegd volgens tariefgroep III. Na bezwaar en een ongegrond verklaard beroep bij het Hof, stelde zij beroep in cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad overwoog dat de wetgever een ruime beoordelingsvrijheid heeft bij het indelen van belastingplichtigen in tariefgroepen en dat het vervallen van een aparte tariefgroep voor kinderen van broers of zusters sinds 1981 niet onredelijk is.

De Hoge Raad verwierp de stelling dat de tariefindeling in strijd zou zijn met artikel 26 IVBPR Pro, artikel 14 EVRM Pro of artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Ook het argument dat het tarief voor tariefgroep III een excessieve last zou vormen, werd niet gevolgd. De Hoge Raad oordeelde dat het tarief van maximaal 68 procent binnen de beoordelingsvrijheid van de wetgever valt.

De Hoge Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees een veroordeling in proceskosten af. Hiermee blijft de aanslag successierecht voor belanghebbende gehandhaafd volgens tariefgroep III, conform de huidige wettelijke regeling.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep ongegrond en bevestigt de toepassing van tariefgroep III voor de verkrijging door belanghebbende.

Uitspraak

Nr. 41.938
19 oktober 2007
Arrest
gewezen op het beroep in cassatie van X1 te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 3 maart 2005, nr. BK-03/01832, betreffende na te melden aanslag in het recht van successie.
1. Aanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is ter zake van haar verkrijging uit de nalatenschap van haar oom in het jaar 2001 een aanslag in het recht van successie opgelegd naar een verkrijging van ƒ a,-. Deze aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur gehandhaafd.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep ongegrond verklaard.
De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
De Advocaat-Generaal R.E.C.M. Niessen heeft op 3 oktober 2006 geconcludeerd tot ongrondverklaring van het beroep in cassatie.
Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
3.1.1. Belanghebbende is een nicht - een oomzegger - van erflater. De verkrijging van belanghebbende is op grond van artikel 24 van Pro de Successiewet 1956 (hierna: de Wet) belast naar het tarief voor tariefgroep III in de zin van dat artikel.
3.1.2. Tot tariefgroep I als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet behoren de echtgenoot, de kinderen, de afstammelingen in tweede of verdere graad van de erflater en een persoon met wie de erflater een gezamenlijke huishouding voerde als bedoeld in artikel 24, lid 2, letters a en b, van de Wet. Tariefgroep II als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet bestaat uit de broers en zusters van de erflater en de bloedverwanten van de erflater in de rechte opgaande lijn. Tot tariefgroep III als bedoeld in artikel 24 van Pro de Wet behoren verkrijgers die niet behoren tot de in tariefgroep I of II ingedeelde personen.
3.2. Belanghebbende heeft voor het Hof betoogd dat de heffing naar het tarief geldend voor tariefgroep III strijdig is met het bepaalde in artikel 26 IVBPR Pro, artikel 14 EVRM Pro en/of artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM. Het Hof heeft die stellingen verworpen.
3.3. De middelen I tot en met IV richten zich tegen de oordelen van het Hof dat de wetgever in redelijkheid heeft kunnen besluiten om verkrijgingen door kinderen van broers of zusters enerzijds en verkrijgingen door verkrijgers in tariefgroep I of II anderzijds niet als gelijke gevallen aan te merken en voorts om eerstgenoemde verkrijgingen voor wat betreft de tariefstelling gelijk te stellen met verkrijgingen door willekeurige derden.
Vooropgesteld zij dat de wetgever bij beslissingen als de onderhavige - het indelen van belastingplichtigen in tariefgroepen - een ruime beoordelingsvrijheid toekomt, en dat het oordeel van de wetgever dient te worden geëerbiedigd tenzij dat van redelijke grond is ontbloot (vgl. onder andere EHRM 22 juni 1999, nr. 46757/99, zaak Della Ciaja/Italië, BNB 2002/398 en EHRM 12 december 2006, nr. 13378/05, zaak Burden en Burden Verenigd Koninkrijk, EHRC 2007/18).
Bij Wet van 23 december 1980, Stb. 1980, 686, heeft de wetgever de op dat moment bestaande aparte tariefgroep voor kinderen van broers of zusters van de erflater met ingang van 1 januari 1981 laten vervallen. Zoals uiteengezet in de onderdelen 2.3 tot en met 2.6 van de bijlage bij de conclusie van de Advocaat-Generaal berustte die wijziging op de opvatting dat aan de belasting op erfrechtelijke verkrijgingen het zogenoemde buitenkanskarakter mede ten grondslag ligt, dat daarom een verdere verwantschap of het niet verwant zijn ten aanzien van de erflater een hoger tarief met zich brengt, en dat het tot 1 januari 1981 geldende zeer verfijnde onderscheid naar de aard van de verwantschap niet meer zo sterk aanspreekt dat zij de daaraan verbonden verschillen van belasting kan dragen. Niet kan worden gezegd dat die redengeving van redelijke grond is ontbloot. Derhalve moet worden geoordeeld dat de wetgever kinderen van broers of zusters van de erflater zonder overschrijding van de hem toekomende ruime beoordelingsvrijheid heeft kunnen onderbrengen in tariefgroep III. De middelen I tot en met IV berusten op een andere opvatting en falen derhalve.
3.4. Bij de beoordeling van middel V dient te worden vooropgesteld dat de wetgever ook wat betreft het bepalen van de hoogte van belastingtarieven een ruime beoordelingsvrijheid toekomt. Niet kan worden gezegd dat hij bij het stellen van het tarief voor tariefgroep III op ten hoogste 68 percent de grenzen van die beoordelingsvrijheid heeft overschreden. Mede gelet hierop kan uit alleen de hoogte van dat tarief niet volgen dat de heffing naar tariefgroep III leidt tot een excessieve last (disproportionate burden) voor belanghebbende of voor haar familie in haar geheel. In dit verband speelt geen rol de omstandigheid dat het - zoals belanghebbende betoogt - gaat om de verkrijging van een vermogen dat niet (geheel) is gevormd door de erflater zelf maar door deze (voor een deel) door vererving is verkregen. Niet valt in te zien waarom het tarief in dit geval de verkrijger(s) zwaarder zou treffen dan bij erfrechtelijke verkrijging van een vermogen dat de erflater geheel met eigen inspanningen heeft opgebouwd. Derhalve faalt ook dit middel.
3.5. Middel VI bouwt voort op hetgeen in de andere middelen is betoogd en faalt derhalve eveneens.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J.W. van den Berge als voorzitter, en de raadsheren L. Monné, C.J.J. van Maanen, C. Schaap en A.H.T. Heisterkamp in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier A.I. Boussak-Leeksma, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2007.