ECLI:NL:HR:2007:AZ3863
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- J. de Hullu
- Rechtspraak.nl
Verjaring bij voortdurend delict nalaten arbeids- en rusttijdenregistratie
In deze strafzaak stond het beroep van verdachte centraal tegen een arrest van het Gerechtshof Amsterdam dat hem veroordeelde voor het niet voeren van een deugdelijke registratie van arbeids- en rusttijden van werknemers over de periode van 1 juli 2002 tot en met 31 augustus 2002.
De Hoge Raad bevestigde dat deze gedraging als één overtreding kwalificeert en als een voortdurend delict moet worden beschouwd. Dit betekent dat de verjaringstermijn niet aanvangt zolang het delict voortduurt. Gezien de inwerkingtreding van de Wet van 5 juli 2006, die art. 72.2 Sr aanpaste, is verjaring in dit geval uitgesloten.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep van de verdachte, omdat geen gronden werden aangevoerd die tot vernietiging van het hofarrest konden leiden. De uitspraak bevestigt de toepassing van het verjaringsrecht bij voortdurende delicten en verduidelijkt de reikwijdte van art. 72.2 Sr in relatie tot arbeidsrechtelijke overtredingen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het voortdurende karakter van het delict sluit verjaring uit.