3.3. Deze bewezenverklaring berust op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaren [verbalisant 1] en [verbalisant 2], voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant(en):
"Op 22 april 2003, omstreeks 19.53 uur, kregen wij, verbalisanten belast met surveillance in een opvallend dienstvoertuig, de melding om te gaan naar de A-27 ter hoogte van Hank, gemeente Werkendam. De meldkamer gaf door dat er bestuurder van een motorvoertuig, Alfa Romeo groen van kleur, voorzien van kenteken [AA-BB-00], van Breda over de A-27 richting Gorinchem reed. De bestuurder had volgens de meldkamer diverse aanrijdingen veroorzaakt, een man bedreigd en zou onder invloed zijn van alcohol. Omstreeks 20.00 uur zagen wij de betreffende auto met het doorgegeven kenteken langs onze positie rijden richting Gorinchem. Wij hebben hierop de achtervolging ingezet. Wij hebben de bestuurder middels het transparant 'Stop politie' kunnen laten stilhouden op de vluchtstrook van afrit 22 Nieuwendijk, gemeente Werkendam. Wij zagen dat de bestuurder langzaam reed. Vrachtwagens moesten hun snelheid aanpassen. Wij zagen dat het motorvoertuig flink was beschadigd, waardoor het niet goed door de bestuurder in een rechte lijn op de weg kon worden gehouden.
Ter controle op de juiste naleving van de bepalingen gesteld bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 stelden wij een onderzoek in. Wij hadden op dinsdag 22 april 2003 te 20.50 het eerste contact met deze bestuurder, leidend tot de verdenking van een gedraging in strijd met de artikelen 5, 7 en 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Wij namen waar dat de adem van de bestuurder naar het inwendig gebruik van alcoholhoudende drank rook en dat de bestuurder met dubbele tong sprak. Ik, eerste verbalisant, heb op 22 april 2003 om 21.00 uur de verdachte bevolen medewerking te verlenen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2 onder a van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij ik hem heb medegedeeld dat weigering ademlucht te blazen in een voor dit onderzoek bestemd apparaat en/of het niet gevolg geven aan alle ten dienste van het onderzoek gegeven aanwijzingen een misdrijf oplevert. Verdachte weigerde mee te werken aan een onderzoek voor uitgeademde lucht. Ik hoorde de verdachte zeggen: "Ik weiger om mee te werken".
Omdat wij vermoedden dat de verdachte naast alcoholhoudende drank tevens andere stoffen had gebruikt die de rijvaardigheid zouden kunnen beïnvloeden, werd overgegaan tot een bloedonderzoek. Het gebruik van anderen stoffen bleek ons uit de papieren (recepten van huisartsen e.d.) die de verdachte bij zich had. Dit waren volgens de arts (het hof begrijpt dat dit de arts was die op het politiebureau kwam voor het verrichten van een bloedonderzoek) zware medicijnen die strikt om de 6 uur moeten worden ingenomen.
Ik, eerste verbalisant, heb op 22 april 2003 te 22.25 uur de verdachte gevraagd of hij zijn toestemming gaf tot het verrichten van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2 onder b van de Wegenverkeerswet 1994. De verdachte verleende daartoe geen toestemming. Dit bleek uit dat de verdachte zei: "Ik werk niet mee met een bloedonderzoek". Op 22 april 2003, om 22.30 uur heeft de hulpofficier van justitie de verdachte bevolen zich te laten onderwerpen aan een bloedonderzoek als bedoeld in artikel 8, lid 2 onder b van de Wegenverkeerswet 1994, waarbij de verdachte is medegedeeld dat de weigering een misdrijf oplevert. De verdachte gaf geen gehoor aan dit bevel en verleende geen medewerking aan het bevolen bloedonderzoek, hetgeen de hulpofficier van justitie bleek uit het feit dat de verdachte zei: "Ik werk niet mee aan een bloedonderzoek"."