ECLI:NL:HR:2007:AZ4663
Hoge Raad
- Cassatie
- D.H. Beukenhorst
- E.J. Numann
- A. Hammerstein
- J.C. van Oven
- W.D.H. Asser
- Rechtspraak.nl
Bescherming persoonsgegevens en inzagerecht op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens
In deze zaak vordert een voormalige cliënt van Dexia Bank Nederland N.V. op grond van art. 46 lid 1 Wbp Pro inzage in en kopieën van alle persoonsgegevens die de bank over hem verwerkt, inclusief informatie over de herkomst en het doel van de verwerking. De rechtbank beveelt Dexia een overzicht te verstrekken, maar wijst het verzoek om kopieën af. Dexia gaat in hoger beroep en stelt onder meer dat het verzoek misbruik van recht is en dat de administratieve lasten disproportioneel zijn.
Het hof oordeelt dat het verzoek van de betrokkene niet als misbruik van recht kan worden aangemerkt en dat Dexia op grond van art. 35 Wbp Pro verplicht is kopieën en transcripties van telefoongesprekken te verstrekken, tenzij bijzondere omstandigheden dit verhinderen. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en benadrukt dat de Wbp richtlijnconform moet worden uitgelegd, waarbij het recht op inzage en kopieën ruim moet worden geïnterpreteerd.
De Hoge Raad wijst het beroep van Dexia af en verduidelijkt dat art. 843a Rv. niet in de weg staat aan het recht op informatie uit hoofde van de Wbp. Ook bevestigt de Hoge Raad dat bandopnamen van telefoongesprekken als persoonsgegevens in een bestand kunnen worden aangemerkt en dat Dexia deze transcripties moet verstrekken. De beslissing bevat ook een nadere afbakening van welke notities wel en niet onder het inzagerecht vallen.
De Hoge Raad veroordeelt Dexia in de proceskosten en bevestigt de verplichting tot verstrekking van kopieën en transcripties aan de betrokkene, waarmee het inzagerecht krachtig wordt beschermd.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt het recht op inzage en kopieën van persoonsgegevens en wijst het beroep van Dexia af.