ECLI:NL:HR:2007:AZ4714

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 maart 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
00316/06
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 358 SvArt. 359 SvArt. 360 SvWet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt veroordeling wegens onvoldoende motivering bewezenverklaring onverzekerd rijden

De verdachte werd veroordeeld voor het rijden zonder verzekering op een openbare weg te Utrecht op 9 juli 2004. Het hof baseerde de veroordeling op een proces-verbaal van de politie en een RDW-uitdraai waaruit bleek dat geen verzekering was geregistreerd voor het voertuig met kenteken [AA-00-BB].

De verdachte stelde in hoger beroep dat hij niet de bestuurder was en dat een ander persoon de auto bestuurde. Hij verklaarde niet te kunnen rijden en alleen naast de bestuurder te hebben gezeten. Het hof liet deze betwisting van de bewezenverklaring echter in het midden, waardoor een onverenigbare mogelijkheid openbleef dat de verdachte niet de overtreder was.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof tekort was geschoten in de motivering van de bewezenverklaring, omdat het niet uitdrukkelijk en gemotiveerd had beslist over het bewijsverweer dat niet in strijd was met de bewijsmiddelen maar wel met de bewezenverklaring. Dit is in strijd met de jurisprudentie en de wettelijke eisen aan motivering.

Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak terug naar het hof voor hernieuwde berechting en afdoening. Dit arrest bevestigt de noodzaak van een deugdelijke motivering bij bewijsverweren die de bewezenverklaring kunnen ondermijnen.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest en wijst de zaak terug voor hernieuwde berechting wegens onvoldoende motivering van de bewezenverklaring.

Uitspraak

13 maart 2007
Strafkamer
nr. 00316/06
SY/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, van 24 november 2005, nummer 21/002632-05, in de strafzaak tegen:
[Verdachte], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1966, wonende te [woonplaats].
1. De bestreden uitspraak
Het Hof heeft in hoger beroep - met vernietiging van een bij verstek gewezen vonnis van de Rechtbank te Utrecht, sector Kanton, van 11 mei 2005 - de verdachte ter zake van "als bestuurder van een motorrijtuig daarmede op een weg rijden zonder dat er voor dat motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen is gesloten en in stand gehouden" veroordeeld tot een geldboete van € 340,-, subsidiair zes dagen hechtenis.
2. Geding in cassatie
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft mr. R.D.A. Boom, advocaat te Utrecht, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Procureur-Generaal Fokkens heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen en de zaak zal terugwijzen naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, teneinde de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen.
3. Aan de beoordeling van het middel voorafgaande beschouwing
3.1. Bij de Wet van 10 november 2004, Stb. 580 tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot aanpassing van de eisen te stellen aan de motivering van de bewezenverklaring bij een bekennende verdachte (Wet bekennende verdachte), is het tweede lid van art. 359 Sv Pro gewijzigd. Blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van die Wet was de wijziging van art. 359, tweede lid, Sv - in elk geval - gericht op de codificatie van de motiveringsvoorschriften die de Hoge Raad reeds in zijn jurisprudentie had ontwikkeld, zulks in aansluiting op de wettelijke voorschriften van art. 359, tweede lid (oud), in verbinding met art. 358, derde lid, Sv inzake onder meer strafuitsluitingsgronden, alsmede op art. 360, eerste lid, Sv inzake de betrouwbaarheid van de daar genoemde bewijsmiddelen. Op grond van die jurisprudentie was de feitenrechter al gehouden uitdrukkelijk en gemotiveerd te beslissen omtrent een aantal bewijsverweren (vgl. HR 11 april 2006, NJ 2006, 393).
3.2. Een betoog waarin een beroep wordt gedaan op niet hoogst onwaarschijnlijke feiten en/of omstandigheden die met de inhoud van de door de rechter gebezigde bewijsmiddelen niet in strijd zijn doch die - indien juist - onverenigbaar zijn met de bewezenverklaring (het Meer en Vaart-verweer, zo genoemd naar de casus van HR 1 februari 1972, NJ 1974, 450), is zo een bewijsverweer waarvan de feitenrechter ook vroeger al de juistheid niet in het midden mocht laten. Dat geldt ook voor de zogenoemde dakdekkerverweren - die hun benaming ontlenen aan de casus van HR 16 februari 1982, NJ 1982, 411 - waarin de uitleg van een in de telastelegging opgenomen of daarin besloten liggend begrip dat aan de wet is ontleend, aan de orde wordt gesteld.
4. Beoordeling van het middel
4.1. Het middel klaagt dat in het licht van hetgeen door de verdachte is aangevoerd, de bewezenverklaring niet naar behoren met redenen is omkleed.
4.2.1. Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
"zij op of omstreeks 09 juli 2004 te Utrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Talmalaan, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden."
4.2.2. Daarvan is bewezenverklaard dat:
"zij op 09 juli 2004 te Utrecht als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), gekentekend [AA-00-BB], daarmede heeft gereden op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Talmalaan, zonder dat er voor dit motorrijtuig een verzekering overeenkomstig de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen was gesloten en in stand gehouden."
4.2.3. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
a. een proces-verbaal van politie, opgemaakt door de opsporingsambtenaar J. van den Berg, voor zover inhoudende als relaas van de verbalisant:
"Ik constateerde op 9 juli 2004 dat de verdachte als bestuurder op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Talmalaan te Utrecht, met een personenauto met het kenteken [AA-00-BB] onverzekerd heeft gereden.
Verdachte verstrekte mij, daarnaar gevraagd, de volgende persoonsgegevens:
Naam: [achternaam]
Voornamen: [voornaam]
Geboorteplaats: [geboorteplaats]
Geboortedatum: [geboortedatum]-1966"
b. een RDW-uitdraai voor zover inhoudende dat op de peildatum 9 juli 2004 met betrekking tot het kenteken [AA-00-BB] geen verzekering staat geregistreerd.
4.3. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 november 2005 heeft de verdachte aldaar het volgende aangevoerd:
"Ik heb op 9 juli 2004 niet onverzekerd rondgereden dat was [betrokkene 1]. Ik kan helemaal niet rijden. Op dit moment ben ik met mijn rijbewijs bezig. Ik zat naast de bestuurder en tijdens de aanhouding ben ik in de auto blijven zitten. [Betrokkene 1] heeft toen mijn persoonsgegevens aan de politie gegeven. De politie heeft mij ook nog om legitimatie gevraagd. De auto is bij de aanhouding in beslag genomen."
4.4. Nu het Hof de juistheid van dit met de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen niet strijdige betoog in het midden heeft gelaten, is de met de bewezenverklaring onverenigbare mogelijkheid opengebleven dat het niet de verdachte is die de onderhavige overtreding heeft begaan. De bewezenverklaring is dus niet naar de eis der wet met redenen omkleed.
4.5. Het middel is terecht voorgesteld.
5. Slotsom
Hetgeen hiervoor is overwogen brengt mee dat de bestreden uitspraak niet in stand kan blijven en als volgt moet worden beslist.
6. Beslissing
De Hoge Raad:
Vernietigt de bestreden uitspraak;
Wijst de zaak terug naar het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren J.P. Balkema, A.J.A. van Dorst, W.A.M. van Schendel en W.M.E. Thomassen, in bijzijn van de griffier S.P. Bakker, en uitgesproken op 13 maart 2007.