ECLI:NL:HR:2007:AZ5557

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 januari 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42861
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • P.J. van Amersfoort
  • P. Lourens
  • C.B. Bavinck
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 81 Wet op de rechterlijke organisatie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt niet-ontvankelijkheid bezwaar navorderingsaanslag vennootschapsbelasting

Belanghebbende kreeg voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting opgelegd. De Inspecteur verklaarde het bezwaar tegen deze aanslag niet-ontvankelijk. Belanghebbende ging in beroep bij het Hof, dat het beroep eveneens niet-ontvankelijk verklaarde. Vervolgens stelde belanghebbende beroep in cassatie in bij de Hoge Raad.

De Hoge Raad beoordeelde of een brief van belanghebbendes gemachtigde aan de Inspecteur kon worden aangemerkt als een rechtsmiddel tegen de uitspraak op bezwaar. De brief bevatte verzoeken tot herziening en vermindering van de aanslag, maar was niet als rechtsmiddel bedoeld. De Hoge Raad oordeelde dat deze brief niet onder artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht valt, dat betrekking heeft op het aanwenden van rechtsmiddelen.

Daarom was het bezwaar en het daarop volgende beroep niet-ontvankelijk. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep ongegrond en wees proceskostenveroordeling af. Hiermee werd bevestigd dat een brief zonder duidelijke bedoeling tot het aanwenden van een rechtsmiddel niet als zodanig kan worden beschouwd.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de navorderingsaanslag blijft niet-ontvankelijk.

Uitspraak

Nr. 42.861
5 januari 2007
RvS
gewezen op het beroep in cassatie van X B.V. te Z (hierna: belanghebbende) tegen de uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 18 januari 2006, nr. 04/03901, betreffende na te melden navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting.
1. Navorderingsaanslag, bezwaar en geding voor het Hof
Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een navorderingsaanslag in de vennootschapsbelasting opgelegd naar een belastbaar bedrag van ƒ 1.312.850.
De Inspecteur heeft bij uitspraak het tegen de aanslag gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij het Hof.
Het Hof heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak van het Hof is aan dit arrest gehecht.
2. Geding in cassatie
Belanghebbende heeft tegen 's Hofs uitspraak beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Staatssecretaris van Financiën heeft een verweerschrift ingediend.
Belanghebbende heeft de zaak doen toelichten door mr. F.A. Piek, advocaat te Amsterdam.
3. Beoordeling van de middelen
3.1. De middelen I, II en IV kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 van Pro de Wet op de rechterlijke organisatie, geen nadere motivering, nu die middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
3.2. Hetgeen hiervoor onder 3.1 is overwogen, brengt mee dat belanghebbende de aan haar gemachtigde gerichte brief van de Inspecteur van 7 juni 2004 als uitspraak op haar bezwaarschrift tegen de onderhavige aanslag moest beschouwen.
3.3. In zijn brief van 29 juni 2004 schreef belanghebbendes gemachtigde aan de Inspecteur, voorzover in cassatie van belang:
"Teneinde een kostbare en tijdrovende beroepsprocedure te voorkomen, wilde ik bij deze toch reageren op uw brieven van 7 en 8 juni jl. omdat er naar mijn mening sprake is van een misverstand.
(...)
Ik verzoek u vriendelijk, bovenstaand beziend, uw uitspraak te herzien en de aanslag en de in rekening gebrachte heffingsrente alsnog te verminderen tot nihil."
3.4. De bewoordingen van deze brief laten geen andere gevolgtrekking toe dan dat belanghebbende welbewust met die brief beoogde dat deze anders zou worden behandeld dan als een rechtsmiddel tegen de uitspraak op bezwaar. Op een dergelijk geschrift is het bepaalde in artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht noch naar zijn bewoordingen noch naar zijn strekking van toepassing. Middel III, dat van een andere opvatting uitgaat, faalt derhalve eveneens.
4. Proceskosten
De Hoge Raad acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.
5. Beslissing
De Hoge Raad verklaart het beroep ongegrond.
Dit arrest is gewezen door de raadsheer P.J. van Amersfoort als voorzitter, en de raadsheren P. Lourens en C.B. Bavinck, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 5 januari 2007.