ECLI:NL:HR:2007:AZ6118
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Nietigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding wegens onjuiste adressering in strafzaak wegenverkeerswet
In deze strafzaak heeft het hof in hoger beroep de verdachte veroordeeld wegens overtreding van artikel 9, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en een gevangenisstraf van twee weken opgelegd. De dagvaarding was verzonden naar een adres in België dat niet overeenkwam met het door de verdachte opgegeven adres bij vertrek uit Nederland.
De verdachte was op 3 april 2001 vertrokken uit Nederland en had toen een ander adres in België opgegeven dan het adres waar de dagvaarding op 4 augustus 2004 naartoe werd gestuurd. De dagvaarding werd vervolgens op 5 augustus 2004 uitgereikt aan de griffier omdat geen woon- of verblijfplaats in Nederland bekend was.
De Hoge Raad oordeelt dat de betekening van de dagvaarding niet heeft plaatsgevonden overeenkomstig artikel 588 van Pro het Wetboek van Strafvordering, waardoor de dagvaarding nietig is. Dit leidt tot vernietiging van het arrest van het hof, behoudens voor zover het vonnis van de politierechter is vernietigd.
De Hoge Raad volgt hiermee het advies van de Advocaat-Generaal en benadrukt het belang van correcte betekening van dagvaardingen aan het juiste adres van de verdachte, zeker bij internationale domiciliëring.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens nietigheid van de betekening van de inleidende dagvaarding en verklaart deze nietig.