ECLI:NL:HR:2007:AZ8376
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- A.J.A. van Dorst
- W.A.M. van Schendel
- W.M.E. Thomassen
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens overschrijding redelijke termijn in cassatiefase
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor belastingfraude en het feitelijk leidinggeven aan valsheid in geschrift door een rechtspersoon. Het hof had de verdachte veroordeeld tot twee jaren gevangenisstraf. De verdachte stelde beroep in cassatie in tegen deze uitspraak.
De Advocaat-Generaal adviseerde tot vernietiging van het arrest voor wat betreft de strafoplegging en tot strafvermindering, met verwerping van het beroep voor het overige. De Hoge Raad vernietigde het arrest uitsluitend inzake de duur van de opgelegde gevangenisstraf en verminderde deze tot een jaar en tien maanden. Het overige van het beroep werd verworpen.
Belangrijk in deze uitspraak is de constatering dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM, in de cassatiefase was overschreden. Dit leidde tot strafvermindering. De Hoge Raad wees de overige middelen af zonder nadere motivering omdat deze niet tot cassatie konden leiden en geen rechtsvragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten.
De uitspraak werd gedaan door de vice-president en vier raadsheren van de Hoge Raad op 3 april 2007.
Uitkomst: De gevangenisstraf is verminderd tot een jaar en tien maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase.