Terechtzitting van 14 juni 2005
Het onderzoek wordt hervat.
De verdachte is ter terechtzitting aanwezig.
De raadsman van de verdachte is niet ter terechtzitting aanwezig.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De verdachte verklaart: ik heb mijn raadsman ontslagen, zij het nog niet feitelijk, omdat ik het totaal niet eens ben met wat hij naar voren bracht in zijn pleidooi.
Ik ben benadeeld door mijn raadsman. Ik ben de enige die echt weet hoe de zaak in elkaar steekt. Hij heeft vóór zijn pleidooi geen contact met mij gehad. Hij heeft niet met mij besproken wat hij zou aanvoeren. Het is een toegevoegde raadsman. Ik heb hem maar twee keer ontmoet. Ik heb een aantal zaken aan de raadsman uitgelegd, maar de raadsman heeft gisteren tijdens zijn pleidooi heel andere dingen aangevoerd.
Ik ben het er totaal niet mee eens dat hij een gevangenisstraf van negen jaar heeft genoemd.
De voorzitter zet uiteen dat de raadsman dit gisteren in het kader van een strafmaatverweer heeft genoemd.
De verdachte verklaart: ik ben voor hem gewoon een klant. Ik heb het idee dat hij niets van de stukken gezien heeft.
De voorzitter vraagt de verdachte of hij na de zitting nog contact heeft gehad met zijn raadsman.
De verdachte verklaart: Nee, ik was gisterenavond om 20.30 uur terug en om 07.00 uur vanochtend zat ik te wachten voor het transport naar de zitting van vandaag.
De voorzitter verzoekt de advocaat-generaal zijn standpunt te geven omtrent hetgeen de verdachte zojuist heeft verklaard.
De advocaat-generaal deelt mede dat de raadsman van de verdachte tijdens de zitting van gisteren zijn pleidooi heeft gehouden en dat de verdachte bij die gelegenheid op geen enkele wijze tot uitdrukking heeft gebracht dat hij het niet eens was met hetgeen zijn raadsman aanvoerde.
Daaraan doet niet af de omstandigheid dat hij na de repliek het woord heeft gevraagd.
Het hof onderbreekt hierop het onderzoek voor beraadslaging.
Na beraadslaging en hervatting van het onderzoek deelt de voorzitter het volgende mede.
Het hof heeft vastgesteld dat de verdachte ter terechtzitting van heden te kennen heeft gegeven niet te kunnen instemmen met hetgeen de raadsman bij pleidooi heeft aangevoerd, met name niet met de mededeling dat het tenlastegelegde bewezen kan worden geoordeeld. Het hof heeft zich afgevraagd of aan deze mededelingen van de verdachte consequenties verbonden dienen te worden en zo ja, welke. In dat pleidooi heeft het accent gelegen op het voeren van een strafmaatverweer: na een eis van de advocaat-generaal van zestien jaar gevangenisstraf heeft de raadsman onder andere te kennen gegeven dat hij, nu de tenlastegelegde feiten bewezen kunnen worden verklaard, een gevangenisstraf van negen jaar op zijn plaats vindt.
Het hof is van oordeel dat er in beginsel van moet worden uitgegaan, zolang niet van het tegendeel blijkt, dat er een vertrouwensrelatie bestaat tussen de verdachte en diens raadsman, zodanig dat hetgeen door de raadsman wordt aangevoerd kan worden beschouwd als de juiste vertolking van het standpunt van de verdachte.
Voorts kent het strafprocesrecht geen bijzondere procedure die de verdachte de mogelijkheid biedt om door de raadsman, in die hoedanigheid, ter terechtzitting verrichte handelingen of gedane mededelingen achteraf ongedaan te maken. Dit betekent dat het voorbehouden is aan het hof om vast te stellen aan de hand van zich daadwerkelijk manifesterende en derhalve kenbare feiten en omstandigheden, of zich op enig moment een breuk heeft voorgedaan in de boven aangeduide relatie om vervolgens aan de hand van die vaststelling, de alsdan noodzakelijke of eventueel verzochte beslissingen te nemen. Die feiten en omstandigheden hebben zich ten tijde van het thans door de verdachte gewraakte optreden van de raadsman dan wel onmiddellijk daarna naar het oordeel van het hof niet voorgedaan. De verdachte heeft het pleidooi van de raadsman, waarvan de strekking niet in alle opzichten ongebruikelijk was, naar 's hofs eigen waarneming onberoerd aangehoord en bij die gelegenheid op geen enkele wijze kenbaar gemaakt dat hij zich met de inhoud of strekking daarvan niet kon verenigen. De verdachte heeft bij die gelegenheid evenmin te kennen gegeven zich met zijn advocaat te willen verstaan dan wel om onderbreking van de zitting verzocht. De enkele omstandigheid dat de verdachte na de repliek van de advocaat-generaal de voorzitter het woord gevraagd heeft, zonder overigens op enigerlei wijze tot uitdrukking te brengen om welke reden, laat bovengenoemde vaststellingen onverlet. Het hof heeft in dit verband nog laten meewegen dat naar zijn waarneming ter terechtzitting houding en gedrag van de verdachte ter terechtzitting niet bepaald als timide dan wel terughoudend valt te kenschetsen.
Bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking nemende, in samenhang met de omstandigheid dat het onderhavige strafproces reeds zover is gevorderd dat thans alleen nog (andermaal) het recht moet worden gelaten aan de verdachte om het laatst te spreken, is het hof van oordeel dat met de behandeling van de zaak kan worden doorgegaan.
Aan de verdachte wordt het recht gelaten het laatst te spreken.
De verdachte verklaart: in de Pallets-zaak had ik er totaal geen wetenschap van dat er iets in de pallets heeft gezeten.
Er zou twee miljoen in de pallets zitten. Als dat zo is dan zou ik mij niet druk maken over 15.000 sinaasappels.
In de zaak '3000 kilo' ben ik achteraf alles te weten gekomen. In Venezuela hebben ze mij benaderd. Toen ik terug was in Nederland heb ik [betrokkene 1] gebeld. Hij heeft mij toen uitgescholden. Ik heb vervolgens teruggebeld naar Colombia en heb gezegd dat ik het vermoeden had dat de drugs achterover waren gedrukt.
De Compressor-zaak heb ik bekend. Ik heb het kind willen helpen.
De zaak met de 53 pillen (feit 6) heb ik ook bekend.
Ik ben er nooit voor betaald.
In de Banarusia-zaak ben ik er vier dagen van tevoren achter gekomen hoe het zat. Ik had ontdekt dat het in de container voor [betrokkene 6] zat.
In de Palmharten-zaak ging het om een trajectplan.
Dit is de waarheid."