ECLI:NL:HR:2007:AZ8779
Hoge Raad
- Cassatie
- G.J.M. Corstens
- W.A.M. van Schendel
- J.W. Ilsink
- Rechtspraak.nl
Geen overschrijding redelijke termijn bij betekening verstekarrest en ambtshalve herstel kwalificatie
In deze zaak stond centraal de vraag of de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro was overschreden tussen het bij verstek gewezen arrest van het hof en de betekening daarvan aan de verdachte. De verstekmededeling was na een vergeefse aanbieding op het GBA-adres uiteindelijk uitgereikt aan de griffier en vervolgens als gewone brief verzonden naar het adres van de verdachte.
De Hoge Raad oordeelde dat de betekening binnen een jaar na het arrest rechtsgeldig was verricht conform art. 588.3 (oud) Sv, waardoor geen sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn. Vertraging na deze betekening was voor rekening van de verdachte, aangezien redelijkerwijs kon worden aangenomen dat hij op de hoogte was van het arrest.
Daarnaast stelde de Hoge Raad ambtshalve vast dat het hof verzuimd had het bewezenverklaarde te kwalificeren. De Hoge Raad vernietigde het arrest voor zover dit betreft en kwalificeerde de feiten zelf, waarbij het ging om diefstal met geweld, gepleegd door meerdere personen met braak en inklimming, en pogingen daartoe.
De straf werd verminderd en het beroep voor het overige verworpen. Hiermee werd het verzuim van het hof hersteld en de procedure voortgezet met een juiste kwalificatie van de feiten.
Uitkomst: Geen overschrijding redelijke termijn bij betekening verstekarrest; ambtshalve herstel van kwalificatie en vermindering van straf.