ECLI:NL:HR:2007:AZ8798

Hoge Raad

Datum uitspraak
5 juni 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
01641/06 P
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Cassatie
Rechters
  • F.H. Koster
  • A.J.A. van Dorst
  • H.A.G. Splinter-van Kan
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in ontnemingsprocedure zonder cassatie

In deze zaak heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken pas bijna tien maanden na het instellen van het beroep zijn ingekomen.

De Hoge Raad weegt bij de beoordeling de mate van termijnoverschrijding en de samenhang met een gerelateerde strafzaak waarin eveneens sprake was van een overschrijding van de inzendtermijn. De Hoge Raad besluit dat volstaan kan worden met de constatering van de termijnoverschrijding, zonder dat dit leidt tot cassatie van het bestreden arrest.

De overige middelen worden niet nader gemotiveerd afgewezen omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en wijst erop dat de rechter bij terugwijzing in de strafzaak de termijnoverschrijding bij strafoplegging moet betrekken.

Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen ondanks de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

5 juni 2007
Strafkamer
nr. 01641/06 P
KM/SM
Hoge Raad der Nederlanden
Arrest
op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het Gerechtshof te Arnhem van 30 augustus 2005, nummer 21/001686-04, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van:
[Betrokkene], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1971, wonende te [woonplaats].
1. Geding in cassatie
1.1. Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur middelen van cassatie voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Advocaat-Generaal Vellinga heeft geconcludeerd dat de Hoge Raad het beroep zal verwerpen.
1.2. De Hoge Raad heeft kennisgenomen van het schriftelijk commentaar van de raadsvrouwe op de conclusie van de Advocaat-Generaal.
2. Beoordeling van het eerste middel
2.1. Het middel behelst de klacht dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden.
2.2. De betrokkene heeft op 2 september 2005 beroep in cassatie ingesteld. De stukken zijn op 20 juni 2006 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, EVRM is overschreden.
2.3. Bij afweging van alle in aanmerking komende belangen en omstandigheden, waaronder de mate van termijnoverschrijding en de omstandigheid dat de Hoge Raad in de met de onderhavige ontnemingsprocedure samenhangende strafzaak met griffienummer 01642/06, waarin heden eveneens uitspraak wordt gedaan, wegens overschrijding van de inzendtermijn met bijna drie maanden heeft geoordeeld dat de rechter naar wie de zaak zal worden teruggewezen in geval van strafoplegging die overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase daarbij zal dienen te betrekken, behoort in dit geval te worden volstaan met de enkele vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden.
2.4. Het middel is dus terecht voorgesteld, maar leidt niet tot cassatie.
3. Beoordeling van de overige middelen
De middelen kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 RO Pro, geen nadere motivering nu de middelen niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.
4. Slotsom
Nu geen van de middelen tot cassatie kan leiden, terwijl de Hoge Raad ook geen grond aanwezig oordeelt waarop de bestreden uitspraak ambtshalve zou behoren te worden vernietigd, moet het beroep worden verworpen.
5. Beslissing
De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president F.H. Koster als voorzitter, en de raadsheren A.J.A. van Dorst en H.A.G. Splinter-van Kan, in bijzijn van de waarnemend griffier J.D.M. Hart, en uitgesproken op 5 juni 2007.