ECLI:NL:HR:2007:AZ8798
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- A.J.A. van Dorst
- H.A.G. Splinter-van Kan
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt overschrijding redelijke termijn in ontnemingsprocedure zonder cassatie
In deze zaak heeft de betrokkene beroep in cassatie ingesteld tegen een uitspraak van het Gerechtshof Arnhem inzake een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. De Hoge Raad constateert dat de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM in de cassatiefase is overschreden, aangezien de stukken pas bijna tien maanden na het instellen van het beroep zijn ingekomen.
De Hoge Raad weegt bij de beoordeling de mate van termijnoverschrijding en de samenhang met een gerelateerde strafzaak waarin eveneens sprake was van een overschrijding van de inzendtermijn. De Hoge Raad besluit dat volstaan kan worden met de constatering van de termijnoverschrijding, zonder dat dit leidt tot cassatie van het bestreden arrest.
De overige middelen worden niet nader gemotiveerd afgewezen omdat zij geen rechtsvragen in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling oproepen. De Hoge Raad verwerpt het beroep en wijst erop dat de rechter bij terugwijzing in de strafzaak de termijnoverschrijding bij strafoplegging moet betrekken.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt verworpen ondanks de vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn.