ECLI:NL:HR:2007:BA1718
Hoge Raad
- Cassatie
- D.G. van Vliet
- P.J. van Amersfoort
- C.B. Bavinck
- A.R. Leemreis
- E.N. Punt
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad vernietigt hofuitspraak over aansprakelijkheid bestuurder bij betalingsonmacht BV
Belanghebbende was enig bestuurder van B B.V., die op haar beurt enig bestuurder was van E B.V. De BV had over het tweede, derde en vierde kwartaal van 2003 de loonheffing niet voldaan en was op 14 augustus 2003 niet in staat tot betaling. Belanghebbende was ernstig ziek en daardoor niet in staat tijdig de betalingsonmacht te melden, wat de kern van het geschil vormde.
De ontvanger stelde belanghebbende aansprakelijk op grond van artikel 36 van Pro de Invorderingswet 1990. Het hof verklaarde het beroep van belanghebbende ongegrond, stellende dat hij al eind 2002/begin 2003 had moeten voorzien dat hij niet in staat zou zijn de BV te besturen en maatregelen had moeten nemen, zoals het aanstellen van een zaakwaarnemer.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof onvoldoende had vastgesteld of de financiële vooruitzichten van de BV daadwerkelijk tot dergelijke maatregelen noopten en of belanghebbende ondanks zijn ziekte redelijkerwijs in staat was deze te treffen. Ook was het hof ten onrechte uitgegaan van een verkeerde uiterste datum voor de meldingsplicht. Daarom vernietigde de Hoge Raad het arrest en verwees de zaak naar een ander gerechtshof voor een volledige herbeoordeling.
Uitkomst: Het beroep in cassatie is gegrond verklaard, het arrest van het hof vernietigd en de zaak verwezen voor herbeoordeling.