ECLI:NL:HR:2007:BA1747

Hoge Raad

Datum uitspraak
28 september 2007
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
42859
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36 Invorderingswet 1990Art. 19 Algemene wet inzake rijksbelastingenWet Bestuurdersaansprakelijkheid
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van zieke bestuurder voor niet-gemelde betalingsonmacht van vennootschappen

Deze zaak betreft de aansprakelijkstelling van een bestuurder van drie vennootschappen voor niet betaalde omzetbelasting en/of loonbelasting/premie volksverzekeringen. Centraal staat de vraag of het een zieke bestuurder kan worden verweten dat het lichaam niet aan de meldingsplicht inzake betalingsonmacht heeft voldaan.

De Hoge Raad stelt dat de beoordeling altijd moet plaatsvinden aan de hand van de concrete omstandigheden. Bij onverwachte of onvoorzienbare omstandigheden, zoals een ziekte die vlak voor het einde van de meldingsperiode ontstaat, is doorgaans geen verwijt aan de bestuurder te maken. Indien de bestuurder echter redelijkerwijs had moeten beseffen dat hij vanwege zijn fysieke of psychische gesteldheid niet aan de meldingsplicht kon voldoen, dient hij voorzorgsmaatregelen te treffen. Het nalaten daarvan is verwijtbaar.

Ook als de bestuurder door ziekte niet kon beseffen dat hij maatregelen moest nemen, kan hem dat niet worden verweten, mits hij gedurende de meldingsperiode nog steeds door ziekte werd verhinderd. Als een zieke bestuurder wel voorzorgsmaatregelen heeft genomen maar toch zelf in staat was de betalingsonmacht te melden en dit nalaat, is hij niet gedisculpeerd.

De Hoge Raad vernietigt het oordeel van het hof dat de bestuurder in alle drie gevallen ruimschoots vóór het meldingsmoment had moeten beseffen dat hij niet meer in staat was de vennootschappen te besturen en daarom maatregelen had moeten treffen. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd of de bestuurder redelijkerwijs kon aannemen dat hij tijdig kon melden. Tevens heeft het hof ten onrechte slechts één meldingstijdstip in aanmerking genomen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en de zaak wordt terugverwezen voor nadere beoordeling.

Uitspraak

Uitspraak wordt niet gepubliceerd.